VRIJWILLIGER ALS ROEPING

 

                                                                H.J. de Bie

 

            Waar staat dat in de Bijbel?

 

            Zeker, als vrijwilliger voel je je aangesproken door de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan[1]. Daar lag aan de kant van de weg het slachtoffer van een brute roofoverval. De priester en de leviet liepen er in een wijde boog omheen. Dat deed de barmhartige  Samaritaan niet. Zo hebt u wellicht bepaalde mensen voor ogen die u op de een of andere manier helpt. U kunt niet om ze heen. U mag dat niet. U wilt dat niet. God heeft ze op uw weg geplaatst. U hebt met hen zelfs een zekere band gekregen.

 

Er wordt geroepen om meer handen aan het bed. Prima! Maar laten we vooral ook hart hebben voor de man, de vrouw op dat bed. Vrijwilligerswerk begint met hart hebben voor mensen. Daarmee begint ook de ware professionaliteit in de zorg. Karakteristiek voor het ‘paarse’ beleid was het accent op de zorginstelling als organisatie. Nu is de tijd aangebroken om meer nadruk te leggen op de zorginstelling als gemeenschap. Het gaat erom dat mensen in de concrete situatie waarin zij zich bevinden, zich voor elkaar verantwoordelijk weten.

 

            Terug naar de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan. Vinden wij hier de bijbelse basis voor onze roeping als vrijwilliger in de zorg? Wat deze man doet is niet anders dan een staaltje van zijn plicht. De Heere Jezus stelt hem dan ook als voorbeeld voor iedereen.  In deze gelijkenis geeft Hij antwoord op de vraag van een zeker wetgeleerde: Wie is mijn naaste?  Dat was  een verkeerde vraag! Waar het om moet gaan is: ziet de ander in joù zijn naaste, haar naaste? En: ben jij voor die ander barmhartig? 

 

            Bovendien: hoeveel niet-Christgelovigen[2] zijn een toonbeeld van naastenliefde? Ze hebben niet de Tora, de Wet, maar ze doen van nature de Wet. Ze bewijzen daarmee dat de wèrken van de Wet in hun hart zijn geschreven. Het is hun geweten dat hen daarmee voortdurend confronteert[3]. Trouwens, de Heere Jezus neemt hier als voorbeeld een Samaritaan, terwijl Hij toch ergens anders zegt: de zaligheid is uit de Joden is en jullie  Samaritanen weten niet wat jullie aanbidden[4]. Laat daarover geen onduidelijkheid bestaan!

 

            De naastenliefde vormt een wezenlijk onderdeel van het ambt of de roeping van àlle gelovigen. De Heere Jezus zegt aan het slot van de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan: Ga heen, doe gij evenzo. Behalve dit algemene ambt vinden wij in het Nieuwe Testament ook de bijzondere ambten. Er zijn diakenen, ouderlingen, de dienaren van het Woord. Daarnaast - of beter - daaromheen staan de bijzondere bedieningen[5]. Paulus noemt in dat verband onder meer evangelisten[6], bestuurders[7] en mensen die barmhartigheid bewijzen[8].

 

            Bij die laatste categorie zouden we inderdaad kunnen denken aan vrijwilligers in de zorg. Dat geldt zeker voor het vrijwilligerswerk dat gericht is op de opbouw van de christelijke gemeente. Want het is in die context dat de apostel daarover schrijft[9]. Dat brengt het vrijwilligerswerk onder de noemer van het kerkenwerk[10]. Dat is een mogelijkheid. Maar het is ons toch vooral te doen om het vrijwilligerswerk in het kader van de zorg in het algemeen: de gezondheidszorg, de thuiszorg, de terminale zorg in hospices.

 

Kàn het Nieuwe Testament daar wel iets over zeggen omdat wij  - tweeduizend jaar later - leven in een totaal andere cultuur en een totaal andere maatschappij? Ik denk van wel. Als je maar de vertaalslag maakt van het leven toen naar het leven nu. Dat heeft iets van het schutten van een schip. Je kunt niet van de Noordzee zo het Noordzeekanaal binnenvaren op weg naar de havens van Amsterdam. Het verschil in waterpeil kun je niet negeren, anders heb je wel een paar problemen: het schip breekt in tweeën, het Noordzeekanaal loopt leeg of Amsterdam loopt onder.

 

            Zo gezien is het ten volle bijbels verantwoord om te spreken over ‘vrijwilliger als roeping’. Ik denk dan aan het vrijwillige offer van de eerste christenen die over eigendommen beschikten aan het slot van  Handelingen  2 en 4[11].

 

            De verbondenheid met Christus

 

            Aan het slot van Handelingen 4 wordt gezegd van de menigte van hen die geloofden, dat zij één hart en één ziel waren. Zo hecht was de onderlinge liefdesband dat hun privébezit daaraan ondergeschikt werd gemaakt. Aan die eenheid van hart en ziel kunnen we zien wat de uitwerking is van de grote kracht waarmee de apostelen getuigen van de opstanding van Christus. Het creëert een nieuwe manier van met elkaar omgaan. Dat werd als fijn ervaren: er was grote genade over hen àllen.

 

Vervolgens lezen wij dat de eigenaars van land of huizen hun bezittingen verkochten en de opbrengst daarvan legden aan de voeten der apostelen. Daartoe was niemand verplicht. Dat zegt Petrus ook in het volgende hoofdstuk tegen Ananias: je had je bezit niet hoeven te verkopen en je had het geld ook zelf kunnen houden.

 

Wat zien we hier? De gemeenschap met Christus is absolute voorwaarde  om christen te zijn. Het vrijwillige offer van mensen die over eigendommen beschikken, kàn daaruit voortvloeien, maar is géén absolute voorwaarde. Het is een persoonlijke beslissing. Ze mag ons door anderen nooit worden opgedrongen[12]. Dat doet de Heere Jezus ook niet. In dat opzicht is het goed om het slot van Handelingen 4 te vergelijken met het begin van Lucas 8[13]. Daar noemt Lucas - die ook de schrijver is van het boek Handelingen - de vrouwen die Jezus dienden van hun goederen. Dat waren Maria Magdalena, Johanna, de vrouw van Chusas, de rentmeester van Herodes, Suzanna, en vele anderen.

 

Het gaat dus bij het brengen van een vrijwillige offer om een beslissing die genomen wordt voor het aangezicht van God. Komen wij tot die beslissing, dan mogen we daarin  een vrucht zien van Christus’ opstanding. Hij zegt: Ik leef, en gij zult leven. Dat nieuwe leven neemt dan onder meer de vorm aan van vrijwilligerswerk. Tot onze verrassing. Pinksteren actualiseert Pasen in de zorg en wij mogen daarin betrokken worden. De Heere nu is de Geest en waar de Geest des Heeren is, is vrijheid[14]. Dat betekent in concreto: je wordt vrijgemaakt tot dit werk[15].

 

             Het vrijwillige offer

 

            Het vrijwillige offer komen wij al tegen in het Oude Testament[16]. Dat is voor het eerst het geval bij de bouw van de tabernakel in Exodus 35:

 

Alle man en vrouw wier hart hen vrijwillig bewoog te  brengen voor al het werk dat de HEERE geboden had te maken door de hand van Mozes; dat brachten de kinderen Israëls tot een vrijwillig offer aan de HEERE[17].

 

Zulke vrijwillige offers worden ook gebracht voor de bouw van de tempel onder Salomo[18] en van de tweede tempel na de terugkeer uit de Babylonische ballingschap[19]. Wat opvalt is dat het ook hier - evenals in het boek Handelingen - gaat om de stichting van een nieuw heiligdom voor de Heere. De Heilige Geest maakt de gemeente tot een geestelijk huis. Stefanus legt ook nadrukkelijk dat verband in zijn pleidooi voor het sanhedrin. Hij zegt:

 

En Salomo bouwde Hem een huis. Maar de Allerhoogste woont niet in tempelen met handen gemaakt, gelijk de profeet zegt: De hemel is Mij een troon, en de aarde een voetbank Mijner voeten. Hoedanig huis zult gij Mij bouwen zegt de Heere, of welke is de plaats Mijner rust? Heeft niet Mijn hand al deze dingen gemaakt?[20]

 

            In de gemeenschap van Qumran vinden wij dezelfde voorstelling. Haar leden hebben gebroken met het heiligdom van Jeruzalem en vormen nu samen een nieuw huis voor God. Het is misschien daarom dat zij zichzelf ‘de vrijwilligers’ noemden[21].

 

            Het vrijwillige offer is een onderdeel van de offerwetgeving in de Tora. Het is altijd gekoppeld aan andere, verplichte, offers en daarom bedoeld als een extra. Ze worden ook geloften[22] genoemd. Ze hebben alleen hun waarde in relatie met de dienst der verzoening.

 

Van het vrijwillige offer in de vroeg-christelijke gemeente kan hetzelfde gezegd worden. Het is structureel verbonden met de opstanding van Christus.

 

            Het geheimenis van de vrijwilliger als roeping

 

            Deze liefdegave, dit geven om niet, is een groot geheimenis. Zij  weerspiegelt de liefde van God voor Zijn volk. Hij is daartoe niet verplicht. Het is het extra van de genade, de vrije gunst die eeuwig Hem bewoog. Zo spreekt God Zelf bij Hosea, de profeet van de liefde:

 

                               Ik zal hun afkering genezen,

                               Ik zal hen vrijwillig liefhebben;

                               want Mijn toorn is van hem gekeerd.

                               Ik zal Israël zijn als een dauw,

                               hij zal bloeien als een lelie,

                               en hij zal zijn wortels uitslaan als de Libanon.

                               Zijn scheuten zullen zich uitspreiden,

                               en zijn heerlijkheid zal zijn als van de olijfboom,

                               en hij zal een reuk hebben als de Libanon[23].

 

            Dit beeld van God vinden we ook in de Tora. Mozes zegt:

 

                               Want gij zijt de HEERE, uw God, een heilig volk;

                               u heeft de HEERE, uw God, verkoren

                               dat gij Hem tot een volk ten eigendom zoudt zijn

 

uit alle volken die op de aardbodem zijn;

want gij waart het kleinste van alle volken.

De HEERE heeft geen lust tot u gehad noch u verkoren,

om uw veelheid boven alle andere volken,

want gij waart het kleinste van alle volken.

Maar omdat de HEERE u liefhad,

en opdat Hij hield de eed,

die Hij uw vaderen gezworen had,

heeft u de HEERE met een sterke hand uitgevoerd,

en heeft u verlost uit het diensthuis,

uit de hand van Farao, koning van Egypte[24].

 

            De vrijwilligheid van de vrijwilliger mag in de gebrokenheid van deze wereld en ondanks zijn of haar eigen zondigheid iets uitstralen van Gods verkiezende liefde. Dat is het geheim van onze roeping. Dat maakt bescheiden. In de verkiezing valt de mens weg en krijgt alleen God de eer. Het houd je ook op de been. In de naaste dien je God, ook als die naaste helemaal niet aardig is voor jou. Je hoeft ook niet meer te doen dan wat je hand vindt om te doen. Wat daarboven uitgaat mag je leggen in Gods hand.

 

            Die roeping bepaalt onze houding. Dat vraagt zuiverheid. Tegenover God en elkaar. Nooit méér willen lijken dan je bent. Het slot van Handelingen 4 is nauw verbonden met het begin van Handelingen 5, de geschiedenis van Ananias en Saffira. Dat moet ons brengen tot voortdurend zelfonderzoek en onophoudelijk gebed. Het is in het vrijwilligerswerk ora et labora:

 

                               Leer mij, o God van zaligheden,

                               mijn leven in Uw dienst besteden.

                               Gij zijt mijn God, vat Gij mijn hand.

                               Uw goede Geest bestier’ mijn schreden

                               en leid’ mij in een effen land[25].

 

 

De eindtijd

            Naastenliefde is ieders christenplicht, het vrijwillige offer is een extra. Het straalt iets uit van Gods verkiezende liefde, het verwijst ook naar de voleinding. In die totale en radicale vorm dat de leden van de gemeente afstand doen van hun privébezit - dat vinden we alleen  aan het begin van het boek Handelingen. Daarna komen we het niet meer tegen. Het had zijn specifieke functie direct na de uitstorting van de Heilige Geest. Pinksteren betekent letterlijk ‘dag vijftig’. Hierop volgt alleen nog  maar de jongste dag! Dat is de setting van Petrus’ Pinksterpreek. Al in het Oude Testament is het volk van God één en al vrijwilligheid:

 

                               Uw volk zal zeer gewillig zijn op de dag Uwer heerkracht,

                               in heilig sieraad;

                               uit de baarmoeder van de dageraad zal U de dauw Uwer jeugd zijn[26].

 

            Het vrijwillige offer nu

            Het vrijwillige offer in het Oude Testament bestond uit sieraden, zilver en goud, giften in natura, in Handelingen 2 en 4 uit de opbrengst van goederen en land. Hoe kunnen wij daar invulling aan geven? Een flinke zak geld is natuurlijk altijd welkom maar heeft ook iets van een afkoopsom. Je hoeft dan zèlf niets meer te doen. Maar zorg betekent: mènsen helpen mensen.

 

Heel wat vutters en gepensioneerden geven zich als vrijwilliger. Fijn! Maar hoe kunnen  jongere generaties daarin betrokken worden? Is dat wel mogelijk als je een gezin hebt met kleine kinderen, als de kinderen zijn uitgegroeid tot tieners? Er moet tegenwoordig zoveel - moet er nu nog meer? Nee. Maar de liefde maakt vindingrijk. Bijvoorbeeld door als man en vrouw een dagdeel in te leveren voor vrijwilligerswerk, het liefst in groepsverband om elkaar daarbij te ondersteunen, in overleg met of georganiseerd door een zorginstelling om de vrijwilliger te professionaliseren. Je zou ze kunnen noemen  ‘diaconessen van de 21e eeuw. ‘t Is zo maar een idee dat hopelijk nog weer andere en betere ideeën oproept.

 

            We zijn toe aan vernieuwing van ons leefpatroon. Het draagvlak daarvoor groeit in brede lagen van ons volk. Daar kunnen we dankbaar voor zijn. Die vernieuwing vraagt wel om wijsheid. Anders zou het onbedoeld wel eens fout kunnen gaan. We zien dat aan de gemeente van Jeruzalem. Ze is naderhand vervallen tot armoede. Om haar te helpen moest er in andere gemeenten voor haar gecollecteerd worden[27]. Men heeft deze armoede wel eens willen verklaren uit de gemeenschap van goederen in de periode direct na het heilsfeit van Pinksteren.

 

            Hoe dan ook, door Gods genade mogen we vrijwilliger zijn, vrijwilliger uit roeping. Het is een heilig mógen van God, niet een afgedwongen moèten van mensen. Zo staat het in in de Bijbel, heeft het zijn wortels in het heil des Heeren en structureert het ons christen-zijn hier en nu:

                                               O God, op mij zijn Uw geloften;

                                               ik zal U dankzeggingen vergelden.

                                               Want Gij hebt mijn ziel gered van de dood;

                                               ook niet mijn voeten van aanstoot,

                                               om voor Gods aangezicht te wandelen

in het licht der levenden[28] .

 

Curriculum vitae

 

H.J. de Bie (1927), Nederlands Hervormd, studie theologie aan de Rijksuniversiteit Utrecht, vicaris te Utrecht (1950), predikant te Ommeren (1951), Alblasserdam (1956), Wierden (1967), Huizen (1972-1992); doctoraal examen te Utrecht (1964), studieleider Theologische Hogeschool vanwege de Gereformeerde Bond in de Nederlandse Hervormde Kerk ‘Johannes Calvijn’ (1985-1999), docent Christelijke Hogeschool Ede (1992-2000), doceerde dogmatiek, Oude Testament en Hebreeuws; publicaties: o.a. commentaren op Esther en Daniël in Tekst voor tekst, en artikelen over de intertestamentaire periode in Theologia reformata (gebundeld als reader op de Christelijke Hogeschool Ede)..

 


 




[1] Luc 10,25-37.

[2] Het woord ‘Christ-gelovigen’ vinden we in art 27 van de Nederlandse Geloofsbelijenis: ‘Wij geloven en belijden een enige katholieke of algemene kerk, die is een heilige vergadering der ware Christ-gelovigen, al hun zaligheid verwachtende in Jezus Christus, gewassen zijnde door Zijn bloed, geheiligd en verzegeld door de Heilige Geest’.

[3] Rom 2,14v. Overigens zijn ze daarmee niet verontschuldigd voor het aangezicht van God. Deze tekst vormt een onderdeel van de verkondiging van het evangelie als een kracht van God tot zaligheid voor ieder die gelooft, eerst voor de Jood en dan ook voor de Griek (1,16-3,31). Dit bijbelgedeelte loopt dan hierop uit: allen hebben gezondigd (zowel de Jood als de Griek) en derven de heerlijkheid van God èn worden om niet, uit genade, gerechtvaardigd door de verlossing, die in Christus Jezus is (3.23v).

[4] Joh 4,22.

[5] De ambten coördineren en stimuleren de charismata (geestesgaven) in de gemeente.

[6] Ef 4,11.

[7] Rom 12,8: voorstander, iemand die leiding geeft (NV).

[8] Rom 12,8.

[9] Ef 4,12: tot de volmaking der heiligen, tot het werk der bediening, tot opbouwing van het lichaam van Christus.

[10] Zie voor de ingewikkelde  verhouding in onze huidige verzorgingsstaat tussen het vrijwilligerswerk dat gericht is op de opbouw van de gemeente en de zorg in het algemeen: A. Noordegraaf, Oriëntatie in het diakonaat, Zoetermeer 1991.158-196. Ook voor de zorg in het algemeen heeft de diaconie een stimulerende functie.

[11] Hand  2,42-47 en 4,32-37.

[12] Paulus noemt  in pastoraal-speelse wijsheid Onesimus, een weggelopen slaaf van Filemon, to hekousion: het vrijwillige offer van Filemon aan de apostel tijdens zijn gevangenschap: Maar ik heb zonder uw goedvinden niets willen doen, opdat uw weldadigheid niet zou zijn als onder dwang, maar met vrijwilligheid,  Fil 14.

[13] Luc 8,1-3.

[14] 2 Kor  3,17. Christus werkt door de Heilige Geest. Calvijn: Verum praesens sententia nihil ad Christi essentiam, sed officium duntaxat exprimit.

[15] Feitelijk is in Hand 4,32-37 geen sprake van een vrijwillige gemeenschap van goederen bij de eerste christenen als een zelfstandig thema. Het gaat hier om de grote kracht van het apostolisch getuigenis van Christus’ opstanding. Die heeft haar uitstraling in de praktijk van het dagelijks leven zelfs onder de rijken. De vrijwillige offers van de vrouwen in Lucas staan niet op zichzelf maar houden verband met en vloeien voort uit Jezus’ bevrijdend handelen. Hij had hen genezen van boze geesten en van ziekten, Luc 8,2. Zie verder: G. Stälin, Die Apostelgeschichte, NTD, Göttingen 1966??, 78-82.

[16] Hebreeuws: nedaba. Zie verder: J. Conrad, ‘ndb’, TAT 5, 238-245; E. Carpenter, M.A. Grisanti, ‘ndb’, NIDOTTE 3,31v; F. Hauck, ‘hekousios’, TWNT II, 467.

[17] Ex 35,29.

[18] 1 Kron 29,1-19; zie voora1 vs  17.

[19] Ezra 1,6; 2,68.

[20] Hand 7,47-50.

[21] 1QS I,7.11; V,1.6.810.21.22; VI,13. Daarentegen is de gemeenschap van goederen in Qumran  wèl verplicht en dus geen vrijwillig offer, 1QS 1,12; III,2; V,2v14; Flavius Josephus, B.J. II,122; Ant XVIII,20; Philo, Hypothetica 10,4; Quod omnis probus liber sit, XII (§ 77). Zie verder: L.H. Schiffman, Reclaiming the Dead Sea Scrolls, Philadelphia/Jerusalem 1994, 79,106-111.

[22] Hebreeeuws: neder. Zie verder: C.A. Keller, ‘ndr’, THAT 2, 39-43; O. Kaiser, ‘ndr’, TWAT 5, 261-274; R. Wakeley, ‘ndr’, NIDOTTE 3, 37-42.

[23] Hos 14,5-7. Deze verzen lopen uit op de belofte van  terugkeer uit de ballingschap, vs 8.

[24] Deut 7,6-8.

[25] Ps 143: 10 berijmd.

[26] Ps 110,3. De vertaling luidt in de NV:

                               Uw volk is een en al gewilligheid

                               ten dage van Uw heerban;

                               in heilige feestdos rijst uit de schoot van de dageraad

                               de dauw Uwer jonge mannen voor U op.

[27] Rom 15,26; 2 Kor 8v; Gal 2,10.

[28] Ps 56,13v; ook hier houdt het vrijwillige offer verband met het bevrijdend handelen van God; zie ook Ps 22,26; 50,14; 61,6.9; 65,2; 66,13; 116,14.18.

subpagina's van pagina 'IBA-lezingen':

IBA-dag 2000; Bemmel, J.H. vanIBA-dag 2000; Hoek, G. van derIBA-dag 2000; Stoep, J. van derIBA-dag 2000; Schuurman, E.IBA-dag 2001; Seldenrijk, R»IBA-dag 2002; Bie, ds. H.J.IBA-dag 2003; Noordergraaf, AIBA-dag 2003; Graaf, J. van derIBA-dag 2005; Wal, J. van derIBA-dag 2005; Visscher, Ds. W.