Kerk en zorg anno 2005.Symposium 'Zorgverlening in een geseculariseerde cultuur. Achterban en professional, een spanningsvolle relatie' op de IBA-studiedag van vrijdag 10 juni te Veenendaal.Ds. W. Visscher.1. Inleiding Het terrein van de zorg ondergaat de komende jaren vrij ingrijpende veranderingen. Verschillende elementen zijn daarbij van belang. De belangrijkste zijn: de toenemende vergrijzing, de beperkt beschikbare financiële middelen, veranderende opvattingen in de samenleving (emancipatie, man-vrouw verhouding, etc.) en de technologische ontwikkeling. Dit zijn slechts enkele elementen. Er zou meer te noemen zijn. De overheid wordt gedwongen, mede in verband met de financiële grenzen, om beleidsmatig keuzen te maken in de zorg. De maatschappelijke organisaties zijn ook indringend aan het nadenken over hun plaats in het toekomende zorgstelsel. Zorgvragers en zorgaanbieders zijn actief op de nieuwe ontwikkelingen betrokken. Recent (najaar 2004) hebben enkele kleine organisaties van reformatorische zorgaanbieders de handen in elkaar geslagen. Deze samensprekende zorgaanbieders ‘willen een zorgaanbod organiseren, waarmee een passend antwoord kan worden geboden aan de zorgvragen van de eigen achterban’. Ook binnen de kerken wordt nagedacht over de relatie kerk en zorg. In het kader van CIO-G werd op 3 februari 2005 een bijeenkomst belegd ‘over recente ontwikkelingen in de ouderen- en gezondheidszorg en de betekenis daarvan voor de kerkgenootschappen’. Sprekers op deze bijeenkomst waren onder meer drs. G.J. Heetderks, preses van de Generale Synode van de Prot. Kerk in Nederland en Prof. Dr. A.H. M. van Iersel, hoofdaalmoezenier justitiepastoraat en hoogleraar geestelijke verzorging te Tilburg. De conferentievoorzitter was drs. W.J. Deetman, burgemeester van Den Haag. De veranderingen zijn de komende jaren ook niet gering. Zowel op het terrein van de financiering en de structuur zullen er ingrijpende veranderingen optreden. Bij de invoering van de WMO komen belangrijke delen van de zorg voor verantwoordelijkheid van de burgerlijke gemeente; en bij de invoering van het nieuwe financieringsstelsel per 1 januari 2006 wordt de basisverzekering, na vele jaren onderzoeken en proberen, voor alle Nederlanders realiteit. Wel echter zal er een beperking optreden van de geboden betaalde zorg. Meer mantelzorg is in de toekomst onontkoombaar. Ook zal meer samenwerking geboden zijn. Tevens zullen er veel meer verantwoordelijkheden op het locale niveau (burgerlijke gemeenten, samenwerkingsverbanden en provincies) worden neergelegd. De vraag is hoe de kerk, als onderdeel van de samenleving, in deze ontwikkelingen staat. Ligt hier een taak voor de kerk en zo ja: welke? 2. Participatie De kerk is, zoals reeds in het woord begrepen ligt, het eigendom van de Heere. Het is de gemeente Gods in deze wereld. In de catechismus vinden we een omschrijving van de kerk. Vraag 54: Wat gelooft gij van de heilige algemene Christelijke Kerk? Antw: Dat de Zone Gods uit het ganse menselijke geslacht zich een gemeente, tot het eeuwige leven uitverkoren, door zijn Geest en Woord, in enigheid des waren geloofs, van den beginne der wereld tot aan het einde, vergadert, beschermt en onderhoudt; en dat ik daarvan een levend lidmaat ben, en eeuwig zal blijven. We doen er, denk ik, goed aan het wezen van de kerk steeds voor ogen te houden. De grote opdracht van de kerk is de verbreiding van het Evangelie. De Heere Jezus gaf Zijn discipelen daartoe duidelijk opdracht. "Gaat dan henen, onderwijst al de volken, dezelve dopende in de Naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes; lerende hen onderhouden alles, wat Ik u geboden heb." (Matth. 28:19). In het verlengde hiervan is de kerk in de eerste en voornaamste plaats geroepen om het Woord van God door te geven. Mensen moeten bekend worden gemaakt met de boodschap van dood en leven, zonde en genade, oordeel en vrijspraak, Adam en Christus. Die roeping gaat in de kerk voor en boven alles. Laat dat ook anno 2005 voorop mogen staan. Ook in onze huidige geseculariseerde samenleving met zijn talloze vragen. Ook als de sociale en maatschappelijke problemen vermenigvuldigen. Door de zuilvorming en door de soms indringende maatschappelijke vragen en problemen bijvoorbeeld rond jongeren, secularisatie, vereenzaming en de toekomst kan het zijn dat we die opdracht uit het oog verliezen. Bij de instelling van het ambt van diakenen was het echter de bedoeling dat de kerntaak van de kerk, verkondiging van het Evangelie en de dienst der gebeden, temeer door de apostelen zou worden ter hand genomen (Hand 6:4). En ook de diaconale taak van de kerk staat niet los van de troostrijke redenen uit het Woord van God. Deze kerntaak neemt echter niet weg dat de kerk een taak heeft in de dagelijkse bediening der armen. (Hand. 6:1). Het bevestigingsformulier voor de diakenen wijst nadrukkelijk op het helpen van de armen en ellendigen in hun nood. Het Evangelie heeft ook maatschappelijke consequenties. Het liefdegebod heeft als inhoud God lief te hebben boven alles en onze naaste als onszelf. Reeds op de eerste bladzijden van de Bijbel komen we de zorg voor onze naaste tegen. De Heere vraagt aan Kaïn waar zijn broeder is. "En de HEERE zeide tot Kaïn: Waar is Habel, uw broeder? En hij zeide: Ik weet [het] niet; ben ik mijns broeders hoeder?" (Gen. 4:9). Op allerlei manieren krijgt in het OT en in het NT het liefdegebod handen en voeten. In het OT was de zorg voor weduwen en wezen een fundamenteel gegeven. De armen moesten worden onderhouden. Hulpbehoevenden hadden recht op bescherming en zorg. De profeten van het OT stelden het volk Israël juist op deze concrete punten schuldig. De Heere laat Israël waarschuwen omdat het de armen onrecht aan doet. "Daarom, omdat gij den arme vertreedt en een last koren van hem neemt, zo hebt gij [wel] huizen gebouwd van gehouwen steen, maar gij zult daarin niet wonen; gij hebt gewenste wijngaarden geplant, maar gij zult derzelver wijn niet drinken. Want Ik weet, dat uw overtredingen menigvuldig, en uw zonden machtig vele zijn; zij benauwen den rechtvaardige, nemen zoengeld, en verstoten de nooddruftigen in de poort." (Amos 5:11-12). En de tijd is boos juist vanwege deze zaken. (Amos 5:13). In het NT liggen de lijnen niet anders. De Heere Jezus ging het land door. Hij predikte het Evangelie. Hij had echter ook oog voor de dagelijkse noden en zorgen van mensen. Zijn dienst stond ook in het teken van het liefdegebod. "En Jezus antwoordde en zeide tot hen: Gaat heen en boodschapt Johannes weder, hetgeen gij hoort en ziet: De blinden worden ziende, en de kreupelen wandelen; de melaatsen worden gereinigd, en de doven horen; de doden worden opgewekt, en den armen wordt het Evangelie verkondigd. En zalig is hij, die aan Mij niet zal geërgerd worden." (Matth. 11:4-6). In de brieven van de apostelen vinden we deze lijnen ook weer volop terug. Paulus wijst erop dat als één lid lijdt alle leden lijden. (1 Cor 12:26). En hij spoort de gemeente aan tot het najagen van het goede. "Ziet, dat niemand kwaad voor kwaad iemand vergelde; maar jaagt allen tijd het goede na, zo jegens elkander als jegens allen." (1 Thess. 5:15). Weldoen jegens allen is een schriftuurlijke opdracht. Steenbergen wijst erop dat diaconaal hulpbetoon in de eerste plaats christocentrisch is. Het is dienst vanuit en door Christus. "Gelijk de Zoon des mensen niet is gekomen om gediend te worden, maar om te dienen, en Zijn ziel te geven [tot] een rantsoen voor velen." (Matth. 20:28). Het diaconaal hulpbetoon is ook pneumatologisch. Het geschiedt in de kracht van de Heilige Geest. Christus bracht Zijn offer door de kracht des eeuwigen Geest (Hebr. 9:14). Zo ook kan diaconaat alleen geschieden door de kracht des Geestes. Tenslotte is diaconaat gericht op de eer van God. Diaconaat is daarom theologisch; de eer van God is het einddoel. Deze diepe verworteling is van belang om betrokkenheid van de kerk bij de zorg in het juiste licht te blijven zien. Het is geen gelegenheidszaak, geen hobbyisme maar voluit schriftuurlijke opdracht van de kerk. In dat verband wijst Oosterhoff nog op een aantal noties die van belang zijn. Hij wijst onder meer op liefde, barmhartigheid en gerechtheid. Het voert te ver om daar nu verder op in te gaan. 3. Meerwaarde Hulpbetoon is een algemeen menselijk verschijnsel. Laten we niet denken dat er zonder christelijke verworteling geen sprake kan zijn van hulpbetoon. Ook volstrekt geseculariseerde mensen bieden anderen hulp en bijstand. Soms meer en intensiever dan orthodoxe christenen. Elk mens is uiteindelijk een sociaal wezen. Vanuit het mens zijn is er een betrekking op anderen. Door de zonde echter kan deze betrekking verworden in haat, nijd, twist en afstandelijkheid. Ondanks dat echter is de mens in zijn val geen dier of duivel geworden. Er blijft een zeker samenleven mogelijk. Gods algemene genade houdt de volkomen doorbraak van de zonde nog tegen. Er is dus in elke samenleving ook (soms) veel goeds aan te wijzen. Het feit dat wij in vrijheid mogen samenkomen, dat we vrijheid van onderwijs en van godsdienst hebben is een niet te onderschatten voorrecht. Toch is de vraag legitiem of er meerwaarde ligt in de betrokkenheid van de kerk op de zorg. Mijns inziens is die meerwaarde er wel. Ook in een tijd waarin de hulpverlening toch voor een belangrijk deel in handen is gekomen van professionals en voor het overgrote deel wordt betaald uit collectieve middelen. Ik wil wijzen op de volgende elementen: a. de zingeving van de zorg. Waarom geven we zorg en hulp? Hoever gaan we in het geven van zorg? Zonder bijbelse normen en waarden ligt de zin als snel in de nood van de (min of meer mondige) ander. De zingeving kan dan ook snel betrekkelijk worden. Heeft het zin om je te bekommeren om een vruchtje van 10 weken? Heeft het zin om nog veel medische handelingen te verrichten aan iemand die al ouder is dan 80 jaar? Heeft het zin om een gehandicapt kind geboren te laten worden? Vanuit een humanistische visie worden op deze vragen duidelijke antwoorden gegeven. Het zelfbeschikkingsrecht is hier een fundamenteel maatschappelijk gegeven. Moderne mensen maken zelf uit wat goed en kwaad is. Vanuit de Bijbel echter liggen de antwoorden anders. Zingeving en goed en kwaad zijn niet primair een zaak van menselijke afweging maar van goddelijke openbaring. De eeuwige en vaste normen van het Woord van God geven de zin en het doel van het leven aan. Weliswaar kunnen er in de praktijk moeilijke situaties voorkomen, maar vanuit de kerk en vanuit de christelijke ethiek kunnen en mogen vaste norm worden aangereikt. De zorg is ten diepste toch gericht op de eer van God. De Heere bepaalt de zin. Ook voor een dementerende bejaarde, ook voor een ongeboren vrucht. b. de manier van zorgverlening. Hoe wordt de zorg verleend? Wat is de visie op de mens? Is de mens een samenballing van cellen. Is het lichaam een geheel van verschillende onderdelen? Of is de mens meer dan dat? In de recente discussie over de orgaantransplantatie kwamen deze vragen ook weer naar boven. Het lijkt mij belangrijk dat de kerk de notie aandraagt dat in een hulpsituatie steeds de gehele mens voorwerp van zorg is. Neem bijvoorbeeld het psychisch ziek zijn. Uiteraard heeft dat te maken met de psyche. Uiteraard moet de medicatie zich daarop richten. Maar de zorg voor mensen kan en mag verder gaan dan alleen zijn psyche. De mens komt in beeld met zijn lichamelijk, psychische, maatschappelijke en godsdienstige noden en zorgen. Het lijkt mij belangrijk dat vanuit de kerk de notie wordt aangedragen dat een mens meer is dan een optelsom van verschillende onderdelen. De mens is beelddrager van God. En die gedachte lijkt mij bij uitstek belangrijk voor waarlijk christelijke hulpverlening. c. de grenzen van de zorg. Zorg heeft een grens. Er is in de eerste plaats een financiële grens. Er zijn ook capaciteitsgrenzen. Als de IC vol ligt dan kan er niemand meer bij. Hoe erg de volgende patiënt er ook aan toe is. Grenzen zijn er altijd. Waar ligt echter de grens. In onze huidige geseculariseerde cultuur ligt dat in de zelfbeschikking van mensen. Deze gedachte gaat soms heel ver. Sommigen pleiten inmiddels voor introductie van de pil van Drion. Anderen willen zelfbeschikking, in sommige situaties ook toekennen aan kinderen tussen 12 en 16 jaar. De bijbelse ethiek legt ten diepste de grens in de geboden des Heeren. Elk mens mag er zijn. Elk mens is echter ook een verantwoordelijk schepsel. Hij komt eenmaal voor Gods rechterstoel. Het leven is daar een voorbereiding op. In de zorg mag en moet die notie doorklinken. Mensen in zorgelijke omstandigheden zijn reizigers naar de eeuwigheid. Na de tijd is er de eeuwigheid. En de kerk mag en moet spreken over eeuwig wel en eeuwig wee. Ook echter weet de kerk van een vernieuwde aarde. Daar zullen alles tranen van de ogen worden afgewist. In dat ligt kan en mag er ook ruimte zijn streven. d. de realiteit van zorgen In de huidige opvattingen is nood en dood met de schepping gegeven. De schepping is onvolmaakt en daar voltrekt zich de survival of the fittest. De christelijke ethiek en daarmee ook de kerk weet dat zorg, moeite, nood en verdriet herleidbaar zijn naar Genesis 3. De mens is losgeraakt van God, Zijn schepper en daarom allerhande ellendigheid onderworpen. De kerk mag die diagnose stellen. De kerk mag echter ook meer zeggen. In Christus is er redding. En eenmaal komt er een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Daarop zullen geen zorgen zijn. De huidige generaties zijn niet, zoals Lenin ooit stelde, mest voor de toekomst. De kerk brengt ook de notie van volkomen verlossing en bevrijding door het offer van Christus en het deel krijgen daaraan door het ware geloof. Er zouden meer zaken zijn te noemen. Het lijkt mij duidelijk dat de kerk en haar noodschap een meerwaarde heeft voor de zorg. Laten we die meerwaarde ook benadrukken en uitdragen. 4. Concretisering Hoe geven we de kerkelijke inbreng gestalte. Laat ik beginnen met het opruimen van een groot misverstand. Hulpverlening is voor een belangrijk deel een specialistisch proces geworden. Dat blijkt in de somatiek. Dat blijkt ook in de psychiatrie. Ook verpleging en verzorging is toch een tamelijk gespecialiseerd gebeuren geworden. En laten kerkelijke ambtdragers nu niet denken dat zij, met de beste bedoelingen, wel even inhoudelijk het werk van een psychiater kunnen beoordelen of evenaren. Dergelijke dwaasheden kom je helaas in de pastorale praktijk wel tegen. Er zijn ambtdragers die met het grootste gemak een oordeel geven over bepaalde therapieën. Ik wil daar indringend tegen waarschuwen. Iemand die zijn been breekt gaat naar het ziekenhuis. Iemand die psychisch ziek is, heeft een behandeling nodig en een deskundige hulpverlener. Een ambtdrager is dat veelal niet! Laat hij zijn plaats weten. Op deze manier moeten we dus niet concretiseren. Hoe wel? Een paar gedachten. a. bestuurlijke participatie. De kerk kan en mag bestuurlijk meedoen in het opzetten en besturen van zorginstellingen. Van oudsher hebben diaconieën hier reeds een belangrijke taak. Het hele ziekenhuiswezen ( de kloosters en de gasthuizen) is uiteindelijk vanuit de kerk ontstaan. De kerk verleent echter geen gespecialiseerde zorg. Dat is de taak van professionele hulpverleners. Wel echter kan en mag de kerk waken voor de identiteit. Wezenlijke bijbelse noties zoals de mensvisie, de doorwerking van de zonde in het schepping, de plaats van de middelen in de genezing en de boodschap van redding door het Evangelie zijn wezenlijk voor christelijke hulpverlening. Van de kerk mag en kan verwacht worden dat men instellingen, hulpverleners en besturen daar aan zal herinneren. Dat de kerk ook concrete voorstellen en bijdragen levert op dit punt. Dit zowel op het terrein van de zorg, de hulpverleners en de invulling van het hulpaanbod. Daar ligt bij uitstek een taak voor participatie vanuit de kerken in de zorg. De kerk tracht haar boodschap ook te laten doorklinken in het profiel van de zorg zonder overigens de taak van de hulpverlener over te nemen. b. behoefte aan christelijke zorg Het blijkt dat de behoefte aan christelijke zorg aanwezig is. De kracht van deze behoefte is echter niet altijd even sterk en gefundeerd. De kerk zou kunnen helpen om mensen meer zicht te geven op de noodzaak van christelijk hulpverlening. Hiertoe kan de kerk in pastoraat en onderwijs de leden herinneren aan eigen zorginstellingen. Ook kan de kerk hulporganisaties vragen om bepaalde taken ter hand te menen. Het aanreiken van kaders en het steunen van initiatieven zijn daarbij van belang. De Poort, een voorloper van het huidige Eleos, is mede vanuit de kerken mogelijk gemaakt. c. behoefte aan werkers in de christelijke zorg. Van oudsher is de zorg het terrein van de bramhartigheid. Deels is dit terrein, mede door de toegenomen mogelijkheden, aanzienlijk geprofessionaliseerd. De kerk zou via het diaconaat kunnen oproepen tot vrijwilligerswerk en mantelzorg. Ook kan ze, middels haar organen, mensen stimuleren om in deze takken van zorg emplooi te vinden. d. toerusting De gemeente Gods is dienstbaar aan de naaste dichtbij en ver weg. De dienst der barmhartigheid is een opdracht vanuit de Schrift. Wel blijft het de taak van de kerk, middels de ambten, om mensen toe te rusten en te wijzen op deze verantwoordelijkheid. Diaconie is niet uitsluitend het verwerven van gelden. Ook ligt er een inhoudelijke taak van de kerk naar de leden toe. Vereenzaming, hulpbetoon, zorg, en verdriet vragen een meelevende gemeente en een voortdurende toerusting van betrokkenen. De vroeg-christelijke kerk groeide en bloeide. Niet in het minst omdat deze kerk omkeek naar het zwakke en onedele van deze wereld. Laat dat voor vandaag de dag ook een belangrijk aandachtspunt zijn. Ook in deze geseculariseerde wereld. Er zijn meer elementen voor christelijke zorg. Bewaren en bewaken zal uitermate belangrijk zijn in de opstelling van de kerk richting de zorg. Het is trouwens ook voor de zorgverleners en de zorgvragers van groot belang dat de kerk voluit staat achter de geboden zorg. Wederzijds kan daar een zeer positieve invloed van uitgaan. Het is niet vruchtbaar indien zorgverleners en kerken in een polariserende zin met elkaar omgaan. Optimalisering van zorg en aanbod vraagt juist een positieve en constructieve houding naar elkaar toe. Dat is ook voor de zorgvrager, waar het uiteindelijk allemaal om begonnen is, het meest dienstig. 5. Toetsing Toetsing niet van de zorg (daar zijn deskundigen voor!) maar van haar eigen doelstellingen is een fundamentele opdracht aan de kerk. De praktijk van de gereformeerde zuil heeft geleerd dat juist op dit punt uiterste waakzaamheid en alertheid geboden is. Voorkomen moet worden dat grondslagen een papieren letter worden. Zelfs de geseculariseerde overheid neemt daar, mijns inziens terecht, aanstoot aan. Instellingen moeten waarmaken waarvoor ze staan. Ook op het gebeid van de identiteit. Uiteraard zijn er een aantal toetspunten voor identiteit. Het functioneren van de grondslag, de kleur van de hulpverlening en het doorwerken van wezenlijke bijbelse noties lijken mij de eerste en voornaamste toetspunten. Daarnaast kunnen ook een aantal concrete regels mede in de toetsing worden betrokken. Te denken valt dat aan kledingregels, bijbelgebruik, woordgebruik, etc. Ook lijkt mij kwaliteit een wezenlijk onderdeel van het toetsingsproces. Een hoge morele standaard laat zich moeilijk verenigen met slechte kwaliteit van zorgaanbod. De kwaliteit moet ook ruimschoots voldoen aan de daartoe gestelde normen. Ook daar kan de kerk een rol in vervullen, zonder overigens op de stoel van de hulpverlener te gaan zitten. De wijze van toetsing kan verschillen. Er is bestuurlijke participatie mogelijk. Ook kan via regelmatig gesprek een en ander aan de orde worden gesteld. Ook de niveaus waarop een en ander wordt besproken kunnen verschillend zijn. Wel lijkt mij toetsing belangrijk. Voorkomen moet worden dat instellingen in de loop der tijd vervagen. 6. Engagement De kerk heeft een plaats in de samenleving. Ook heeft de kerk een roeping in de samenleving. Weliswaar valt de kerk niet één op één samen met een zorginstelling, maar hulpbetoon gaat ten diepste ook uit naar de niet-kerkelijke medelander. De barmhartige Samaritaan keek om naar de half dode man. Wel echter moeten een aantal randvoorwaarden in acht worden genomen. Paulus wijst erop dat we eerst aan de huisgenoten des geloofs wel moeten en mogen doen. Dat is geen benepen zelfzucht maar bijbelse bewogenheid. Het eigen huis en het eigen gezin gaat voor de kinderen van de buren. Een andere randvoorwaarde is en blijft het eigen karakter van de instelling. Met een grote toeloop van andersdenkenden kan het karakter van de instelling vervagen. Ook dat moet voorkomen worden. Tenslotte zal de grondslag en de hulpverlening er zijn voor mensen in nood, maar meest aan de huisgenoten des geloofs.
7. Tenslotte…. Het zorgveld is door allerlei ontwikkelingen sterk in beweging. Ook onze samenleving is krachtig aan het veranderen door de algehele doorwerking van de secularisatie ook in het regeringsbeleid. De secularisatie dringt de kerk naar de rand van de samenleving. Het zal nodig zijn om binnen de krachten van de huidige tijd enige ruimte te behouden voor eigen zorginstellingen. Die worsteling zal veel energie vragen. Ook zal die worsteling een beroep doen op eigen (finaciële) middelen. De tijd is langzamerhand voorbij dat alles zo’n beetje uit de staatskas (de algemene middelen) werd betaald. Daarbij komen overigens de grootste gevaren, naar mijn vaste overtuiging, niet van buiten af (hoe sterk ook) maar van binnen uit. De innerlijke verzwakking leidt onmiskenbaar tot afkalving van bepaalde voorrechten die we thans nog hebben. Het is nodig dat wordt nagedacht over een overlevingsstrategie in een geseculariseerde samenleving. Antwoorden zijn in dit verband niet eenvoudig. Wel is er echter hoop. Groen van Prinsterer wees daar reeds in de 19e eeuw op. Met een woord van hem wil ik deze bijdrage besluiten. Het geloof overwint de wereld. Om de wereld te overwinnen, is het nodig vooraf in ons eigen gemoed de overleggingen ter neder te werpen, en alle hoogte, die zich verheft tegen de kennis Gods, en alle gedachten gevangen te leiden tot de gehoorzaamheid van Christus. Laat ons in het oog houden, dat aan den kreet "Kom mijn ongelovigheid te hulp!", het "Ik geloof Heere! Voorafgaat. Laat ons nooit vergeten, dat generlei werkzaamheid in de schatting van de Kenner der harten waardij heeft, indien ze niet geheiligd wordt door de tweeërlei bede: "Wees mij zondaar genadig!" en: "Mijn ziel kleeft aan het stof; maak mij levend naar Uw Woord." (Mr. G. Groen van Prinsterer, Ongeloof en Revolutie, 1847; 58 jaar na het begin van de Franse Revolutie) Ds. W. Visscher Amersfoort
|