Tussen isolement en lege tolerantie
Lezing voor de IBA-studiedag 20 juni 2003 over het thema: “Besturen van christelijke instellingen in een multi-religieuze samenleving -- een bijdrage aan het publieke debat over waarden en normen”.
Verantwoordelijke participatie in een multiculturele samenlevingDe veranderingen in de samenleving zijn met de handen te tasten en met het natuurlijke oog waar te nemen. Bepaalde stadswijken ogen allochtoon. Wie in de directe omgeving van Amsterdam een treinstation betreedt, ontwaart een veelkleurige populatie, waarin blank soms een minderheid is. Onze samenleving is multicultureel geworden. Dat is te zien. Maar daarachter gaat een multireligieuze samenleving schuil. Een symptoom ervan is dat men nu naast kerktorens ook minaretten tegenkomt in stadswijken en dorpen, die wijzen op islamisering van onze cultuur. Maar wat niet direct zichtbaar is zijn de vele andere religieuze gemeenschappen, die hun wortels hebben in andere culturen dan de onze. Religieus gezien was Nederland tot zeg het laatste kwart van de twintigste eeuw redelijk overzichtelijk: Een drietal grote kerken (De Nederlandse Hervormde Kerk, de Gereformeerde Kerken en de Rooms Katholieke Kerk) met een nog te overzien aantal kleinere kerken en enkele niet-christelijke religieuze gemeenschappen. Dat beeld is grondig veranderd. Vandaag telt Nederland, vergeleken met nog geen dertig jaar geleden, een veelvoud van.religieuze genootschappen of groeperingen. Het christendom is al jaren geleden de vijftig procentgrens gepasseerd en van meerderheid minderheid geworden; nog steeds een grote minderheid maar wel een minderheid. Een en ander betekent dat onze samenleving geen meerderheidscultuur en ook geen meerderheidsreligie meer kent maar is opgebouwd uit uitsluitend minderheden. Het gevolg is ook dat er geen gemeenschappelijke standaard meer is, waarop het volk aanspreekbaar is. De cohesie van de samenleving is teloorgegaan, hetgeen nog verder is bevorderd door postmoderne mondigheid en daarmee gepaard gaand individualisme. Werkveld We kunnen lang stilstaan bij de vraag hoe het zover heeft kunnen komen. We kunnen op zich waardevolle beschouwingen houden over de christelijke wortels van onze natie. Nederland is vanouds een protestants christelijke natie, waardoor de samenleving lange tijd doortrokken is geweest door waarden en normen ontleend aan Wet en Evangelie. Maar het vrijheidsbeginsel van de Verlichting heeft meer en meer de overhand gekregen. Vandaag is het werkveld voor individu en voor gemeenschappen multicultureel en multireligieus. En daarover moeten we het nu hebben. Mijn eerste stelling luidt dan ook: Een multiculturele en multireligieuze samenleving is werkplaats van de Heilige Geest, want de akker is de wereld (Mt. 13 : 38). Een christelijke samenleving is een zeldzaamheid in de wereld. Ook van onze samenleving gold trouwens dat het christelijke gelaat ervan goeddeels cosmetisch was. Het geloof was niet aller, de met het geloof verbonden waarden en normen waren dat evenmin. Nochtans was ons land verder gekerstend dan het merendeel van de landen in de wereld en zelfs in Europa, dat werd aangemerkt als het christelijke Westen. In grote delen van de wereld is de kerk en zijn de christelijke gemeenschappen klein. Ze moeten leven en opereren in een Umwelt, waarin andere religies de boventoon voeren. Zo bezien hebben we boven onze stand geleefd, meer in glorie dan onder het kruis. Dr. W. Aalders heeft al jaren geleden, in zijn boek In verzet tegen de tijd, erop gewezen dat christenen er nog maar heel weinig in geoefend zijn om zich te heroriënteren in een samenleving, waarin zij van meerderheid minderheid zijn geworden en waarin de tekenen van het Evangelie één voor één zijn uitgewist en vervangen zijn door a-christelijke, zelfs anti-christelijke tekenen. De Heilige Geest heeft echter op zo'n situatie wel gerekend. Die heeft erop gerekend dat Christusbelijders een kleine kudde vormen, zelfs als schapen temidden van de wolven moeten leven. De akker is de wereld, zegt Christus. Daarin bevinden zich de kinderen van het Koninkrijk als het goede zaad temidden van 'de kinderen van de boze', aangeduid als het onkruid. Tarwe en onkruid moeten echter wel samen opgroeien tot de dag van de oogst, zegt Christus. Pas op, zegt Hij daarbij, dat je met het onkruid ook de tarwe niet uit de grond trekt. En intussen vertelt Hij de gelijkenis van het mosterdzaad en van het zuurdeeg. Met kleine middelen zijn de Zijnen aan het werk op de akker van het Koninkrijk. Christenen trekken niet optochtelijk door de wereld maar doen onooglijk werk: mosterdaadjes aanbrengen. Maar de akker is de wereld, dat wil zeggen de ganse mensenwereld. En die wereld is al zolang, eigenlijk vanouds multicultureel en multireligieus. Alleen hebben we die wereld vandaag ook heel dicht bij huis gekregen. Paulus stond als één van de eerste christenen op de akker van de wereld. Hij stond als geen ander in een multireligieuze context. Hij stond er ook alleen voor op de Areopagus, waar de God die Hij beleed als Onbekende werd aangeduid. Hij schuwde er evenwel geen enkel gezelschap. Op de markt was hij in overleg met vertegenwoordigers van religie en filosofie van zijn dagen. Hij kende hun wereld, hij kende hun ideeën, hij ging erop door en op verder. Het doet mij denken aan een Japans theoloog, die me vertelde dat zijn kerk -- een kleine minderheid in een mono-religieuze cultuur van andere snit dan de christelijke -- zich in het publieke domein laat horen als de vrijheid om zich als christenen te manifesteren op het spel staat. Solidariteit en getuigenis Dat brengt me op mijn tweede stelling vandaag. Christelijk spreken en handelen in een multiculturele en multireligieuze samenleving dient te worden gestempeld door getuigenis en solidariteit. Solidariteit Ik begin met solidariteit. Als christenen zijn we wel niet van de wereld maar wel in de wereld. Schepselmatig zijn we met de hele wereld verbonden. Calvijn brengt dat op niet mis te verstane wijze onder woorden in zijn uitleg van de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan. De Samaritaan wordt ten voorbeeld gesteld aan passerende orthodoxe religieuzen, als de priester en de leviet, die in de tempel hun rechtzinnigheid gingen bewijzen, terwijl de veel minder rechtzinnige Samaritaan solidair was met de man in zijn ellende aan de kant van de weg. In de zorg om de samenleving zal er geen sprake zijn van voorkeursbehandeling. De akker is de wereld. Ik ga nog een stap verder. Er is ook sprake van solidariteit in de schuld. Afgezien van het feit, dat ook christenen zich lang niet altijd onbesmet bewaren van de wereld en vaak ook wereld-gelijkvormig leven, dragen de volgelingen van Christus het diepe besef met zich mee van de gebrokenheid van het bestaan van mens en wereld als schuld jegens de Schepper van alle leven, die zag wat Hij had gemaakt en het was goed. Niemand staat buiten die gebrokenheid. Ook waar de samenleving in concreto ontzinkt aan de heilzame waarden en normen, zoals die ooit aan Israël werden geschonken en in Jezus Christus tot volle Openbaring zijn gekomen, zal bij wie gelooft het besef leven deel te hebben en daarom mede schuldig te staan aan de ontwikkelingen, die gaande zijn. Het multiculturele en multireligieuze levensbesef dringt door de kieren van ieders bestaan. En nog dieper: Het ganse schepsel zucht en is in barensnood. Maar ook wijzelf, die de eerstelingen van de Geest hebben, zuchten in onszelf, omdat de volkomen verlossing nog niet is doorgebroken (Rom. 8 vs 18 vv). De akker is de wereld, de zuchtende creatuur en niet de triumferende kerk. Getuigenis Maar solidariteit is niet Waardevrij. Een christen weet waar, van Wie levensnoodzakelijke loutering en innerlijke reiniging te krijgen is, namelijk bij Hem, die zei 'Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven'. Dat dringt tot getuigenis in Woord en Daad. Ook in een multireligieuze samenleving. Dat vraagt om herkenbaar, noem het getuigend handelen in het publieke domein. Dat wordt vandaag steeds vaker betwist. Godsdienst heet dan Privatsache, voorbehouden aan het privé-domein. In dit opzicht doet vandaag luide van zich spreken August Hans den Boef, stafmedewerker van de Hogeschool van Amsterdam. Hij schreef een boek Nederland Seculier! De toekomst is aan de seculieren, betoogt hij. 'Wij zijn de norm en wij willen dat de samenleving zich daarbij aanpast'. Of een ander citaat: 'Weliswaar hebben twee perioden Paars een aantal rudimenten uit religieuze tijden verwijderd, maar nog lang niet genoeg. Allerlei wetten, regels en praktijken bevoordelen religies en vooral het christendom'. En nog één: 'Als de Veluwe ook een godsdienstig Nationaal Park wordt, prima. Buiten de hekken doen we zeven dagen wat we willen'. Ouders, die hun kinderen 'in het christelijk of islamitisch geloof voorleven, waarden meegeven, uitleggen en inprenten, maken zich schuldig aan indoctrinatie', vooral als ze daarvoor ook nog het bijzonder onderwijs in stelling brengen, waar het Rijk ten onrechte geld in steekt. (Interview in Nederlands Dagblad , 24 mei 2003). Ik refereer hier nog even aan W. Aalders, in diens In verzet tegen de tijd. Wat vraagt de kantelende context vandaag voor het christelijke getuigenis en het christelijke handelen? Hij zegt: 'Staan in een samenleving die ons niet bevoorrecht en beschermt. De moed moeten leren om een overtuiging te hebben, die afwijkt van de meerderheid en die niet populair is. In die overtuiging vaak gekwetst en bezeerd worden. Dan niet verbitterd worden, maar een groot incasseringsvermogen bezitten en veel kunnen verdragen. Van ons geloof durven spreken zonder begrip, erkenning, waardering te ontmoeten. Posities in de samenleving moeten prijs geven, waar we recht op meenden te hebben. Een eigen levensgedrag trouw blijven, ook als dat afwijkt van de samenleving. Eigen normen en overtuigingen in ere houden'. Hier valt te denken aan het aangrijpende woord van Jezus, toen de schare hem had aangehoord en afdroop omdat Hij naar hun oordeel 'harde' dingen had gezegd over het doel van Zijn komst in de wereld. 'Willen jullie ook niet weggaan?', vroeg hij Zijn twaalf getrouwen, die overbleven. 'Tot Wie zouden we heengaan? Gij hebt de woorden van eeuwig leven', reageerde Petrus. (Joh. 6 : 27) Dat gebeurde in een mono-religieuze samenleving, toen Christus Zelf nog lijfelijk aanwezig was; in een samenleving, waarin Christus tot het Zijne was gekomen, terwijl de Zijnen Hem niet aannamen. Op zulk een desertie valt zeker te rekenen in een multireligieuze samenleving, waarbij christenen zijn aangewezen op het naakte Woord. De noodzaak van getuigenis is echter niet afhankelijk van de culturele of maatschappelijke context. Zouden christenen het van de context laten afhangen, dan geldt het woord, dat van Jezus geschreven staat toen op het Pascha velen in Hem geloofden vanwege de tekenen die Hij deed. Hij vertrouwde, zegt Johannes, Zichzelf niet aan hen toe.(Joh. 2 : 24). Hij wist hoe het er van binnen bij hen voorstond. Het getuigenis vraagt om totale navolging, in Woord en Daad. De wijze echter, waarop aan dat getuigenis in Woord en Daad gestalte wordt gegeven, is wel contextueel bepaald; nu door een tijd zonder tekenen van het Evangelie. Dat vraagt geestelijke creativiteit. Heroriëntatie Dat brengt mij op mijn derde stelling: De cultuuromslag van een vanouds christelijke naar een multireligieuze samenleving vraagt heroriëntatie op de kernpunten van christelijke participatie tussen isolement en lege tolerantie. De akker is de multireligieuze wereld. We zullen niet mogen verhelen dat zich het levensgrote gevaar voordoet van assimilatie. Syncretisme, vermenging van godsdiensten is niet van vandaag of gisteren. Al te gemakkelijk kan men komen in de sfeer van 'we dienen toch allemaal dezelfde god'. Zulk een syncretisme is bijvoorbeeld jarenlang binnen de Wereldraad van Kerken kenmerkend geweest in dialoogprogramma's voor de wereldgodsdiensten. Niet zelden beperkt men zich dan tot de sociale boodschap, waarbij christenen spreken over Social Gospel, een louter sociaal gericht Evangelie. In eigen samenleving zien we de assimilatie zich voltrekken rondom activiteiten van de Raad van Kerken in Nederland. We kennen al de multireligieuze gebedssamenkomsten, bijvoorbeeld die voorafgaand aan Prinsjesdag in Den Haag. Hier vindt een ontoelaatbare grensoverschrijding plaats. We moeten ons afvragen of met name ook in het onderwijs deze assimilatie niet is gaan doorwerken vanwege de integratie hier en daar van de multireligieuze samenleving in het bijzonder onderwijs. Ging daar niet identiteitsvervaging mee gepaard, met verzwakking van het publieke getuigenis? * * * Het wordt bovendien bedenkelijk wanneer de overheid zelf een cultuur creëert, waarin sprake is van gedwongen assimilatie. Ik bedoel, wanneer men nog slechts participeren kan in de samenleving als men zich aanpast aan wat de overheid bij wet als normaal heeft verklaard. Ambtenaren, die tegen hun geweten in, gedwongen worden om homohuwelijken te sluiten. Verpleegkundigen die zich moeten conformeren aan wat ethisch wel van overheidswege is gelegitimeerd maar niet tot de natuurlijke rechtsorde behoort, die met de schepping is gegeven. De godsvraag De vraag welke God wordt gediend is bij dit alles van doorslaggevende betekenis. Het was prof. dr. Hanna Kohlbrugge, die in haar postuum verschenen boek De islam aan de deur, duidelijk heeft aangetoond dat Allah een andere god is dan de God en Vader van Jezus Christus. Hij is ook een verre God, anders dan onze God die in Christus Immanuel, God-met-ons is. Een dialoog tussen christenen en moslims? Prima. Maar dan ook op het scherp van de snede. Zoals Elia deed op de Karmel: Is God God of is Baäl God? In Centraal Weekblad (23 mei 2003) schreef het zendingsechtpaar Gera en Cees Fieren het bekeringsverhaal van een gevangenis-imam in Gambia, die van moslim christen werd. Na in aanraking te zijn gekomen met een christelijke pastor leerde hij Engels om de Bijbel te kunnen lezen. Bij het lezen van het Evangelie van Lucas raakte hij in verwarring, omdat daar wordt vermeld dat de engel Gabriël tegen Maria zei, dat Jezus 'Zoon van God' genaamd zou worden. Voor moslims is Gabriël de engel die in naam van Allah aan Mohammed de koran heeft doorgegeven. Maar in de koran staat te lezen dat God 'geen Zoon' heeft. Dus moest het ene of het andere waar zijn, moest of Allah of de God van de Bijbel God zijn. Want God zal zichzelf in twee verschillende boeken toch niet tegenspreken?! Zo werd hij overgebogen tot geloof in de God en Vader van Jezus Christus. Intussen ontdekte hij ook dat die God een God van liefde voor zondaren, voor verloren is, terwijl Allah alleen houdt van 'de rechtvaardigen'. Hij werd van gevangenis-iman gevangenis-predikant. Eerder had hij gevangenen alleen maar les gegeven in de koran, pastoraat was er niet. Nu getuigde hij van God, die liefde is, mensen nabij. Bij de godsvraag, liever de godsbelijdenis ligt vandaag in de multireligieuze samenleving een voor christenen onopgeefbaar geding. Hier vindt een sluipende assimilatie plaats. Groen van Prinsterer sprak ooit het gevleugelde woord, dat het kwaad het ergst is als men begint met de erkenning dat het recht heeft van bestaan. Dat geldt wel vooral wanneer God niet meer is de unieke God van Israël, Vader van Jezus Christus, en wanneer Christus niet meer de Weg, de Waarheid en het Leven is. Het totale wel-zijn van mensen is gediend met de belijdenis van deze ene God. Geen isolement Die God wil niet worden beleden en gediend in een isolement. Dat is het gevaar van doorgaande verzuiling. Betekende de protestants christelijke zuil, die in de 19e eeuw ontstond naast de rooms katholieke, hoe noodzakelijk die ook was, al een versmalling van de participatie in de samenleving, de voortgaande verzuiling -- vandaag zich aandienend onder de naam reformatorisch, gereformeerd, bevindelijk gereformeerd of evangelisch -- zet die versmalling zich voort. Met het gevaar dat bewaring van het groepseigene gaat domineren, ten koste van het getuigenis in woord en daad op de kernpunten, waarop het aankomt. We zullen daarbij onderscheidingsvermogen moeten leren tussen traditie en Traditie; ook tussen wat schaadt en wat dient. Dient het het christelijk getuigenis in de samenleving wanneer hindernissen aan mensen in de samenleving worden opgeworpen om de dodenherdenking op zondag mee te maken? Of het de samenleving dient wanneer satanskerken worden verboden of coffeeshops in hun illegale mogelijkheden worden aangepakt is geen vraag. Lege tolerantie De tegenpool echter van het onvruchtbare isolement is de lege tolerantie. Tolerantie op zich is een hoog goed. In die zin dat in de samenleving, hoe geschakeerd ook, mensen elkaar verdragen. Voor een christen ligt de basis van de tolerantie in de schepping. Schepselmatig zijn mensen onderling verbonden en als zodanig gelijkwaardig. Er is geen bevoorrecht ras, geen bevoorrechte sekse, geen bevoorrechte taal. De vreemdeling-in-de-poorten heeft zelfs een aparte plaats in de decaloog. De inhoudelijke problemen komen echter wanneer groepen mensen wortelen in verschillende culturen, die elkaar raken en niet zelden principieel op elkaar botsen. Dat geldt zeker bij religieuze culturen in een multireligieuze samenleving. Ik wil ook hier tolerantie voorop stellen. Het vraagt geestelijke heroriëntatie om te tolereren dat naast of in de cultuur, die christenen op basis van geloofsovertuiging voorstaan, andere culturen met andere uitingen voorkomen. Zo niet dan is religieuze burgeroorlog onvermijdelijk. Bovendien is religie wel overdraagbaar maar niet op te leggen. 'Niet door kracht, noch door geweld maar door Mijn Geest zal het geschieden', zegt Christus. Dat betekent dat christelijke verbanden en organisaties het werkveld accepteren en tolereren zoals het zich voordoet. Om zo ook de samenleving echt te kunnen dienen. Christus Zelf is daarin voorgegaan. Hij kwam om te dienen, niet om gediend te worden. Hij liet Zich de voeten wassen, zelfs door een Maria Magdalena (Luk. 7 : 35 vv). Dat betekent niet, dat christenen zich niet mogen en zullen blijven inzetten voor het behoud of het herstel van waarden en normen, ontleend aan Wet en Evangelie, die tot welzijn van onze samenleving zijn en slechts tot schade van dit welzijn worden vervangen door die van vreemde culturen, bijvoorbeeld met een fundamentalistische religie. Tolerantie wordt lege tolerantie, wanneer het er allemaal niet meer toe doet. Ze wordt zelfs tot ideologie wanneer ze wordt opgelegd vanuit een meerderheidscultuur. De historicus Alfred Kossman bracht dat pregnant naar voren in zijn Coornhertrede van 1984, waarin hij tot de conclusie kwam dat zulk een tolerantie iets discriminerends heeft: 'Tolerantie betekent dat een dominante groep aan een niet-dominante toestaat meningen of bestaansvormen te hebben die van de gewone orde schijnen af te wijken (…) Van de autochtone Nederlanders wordt gevraagd zulke buitenissigheden te aanvaarden, te dulden, te tolereren. Dit sluit, of men zich dat nu bewust is of niet, in dat er een hiërarchie bestaat; er is een groep die tolereert en er is een groep die wordt getolereerd. In de strikte betekenis van het woord is tolerantie discriminerend'. (geciteerd in Marvel ten Hooven (red.), De lege tolerantie) Zelfbeschikking en elitisme Op de achtergrond speelt hier grosso modo mee de fundamentele principiële tegenstelling tussen zelfbeschikkingsrecht enerzijds en religieus gefundeerd besef van de zin van het schepselmatig gegeven leven. In de praktijk blijkt overigens zelfbeschikking niet te bestaan, omdat meestal de ene mens beschikt over de anderen: levenden over stervenden, begaafden over min-begaafden. Het hierachter liggende relativisme blijkt evenwel onhoudbaar als basis van verdraagzaamheid, omdat het met religie gegeven is zich te manifesteren op het publieke domein. In het relativisme is geen enkel kwaad nog principieel kwaad, hoogstens een hinderlijke stoornis. Marcel ten Hooven zegt: 'Wie meent dat neutraliteit in de publieke sfeer boven alles gaat en iedereen vrij moet zijn naar eigen goeddunken te handelen, zolang hij anderen niet hindert, keert zich in de praktijk niet zelden tegen degenen die op basis van een geloof in een universele ethiek nog wel een onderscheid maken tussen ''goed en kwaad''.' Dat is het geval wanneer godsdienst naar de privé-sfeer wordt verbannen. Het is tot welzijn van de samenleving wanneer zelfbeschikkingsrecht in menselijke relaties wordt ingeperkt, in een samenleving, waarin het goede voor mens en samenleving wordt nagestreefd, opdat de samenleving niet aan de willekeur van het individu ten prooi zal vallen. Wanneer -- om een voorbeeld te noemen -- in het publieke domein geperverteerde seksualiteit openlijk mag worden geëtaleerd, worden kinderen maar ook ouderen geschaad in de ontdekking, de ontwikkeling en de beleving van de schone kant ervan in Gods schepping. Het de taak en de roeping van verbanden, die in de navolging van Christus in het publieke leven staan, om wat eerlijk, rechtvaardig, rein, het welluidende en liefelijk is, waarover Paulus spreekt (Filipp. 4 : 8), relevant en transparant te maken voor mens en samenleving. Daarmee zullen humaniteit, recht en welzijn zijn gediend. Als het dan om recht gaat, kan het scherp toegaan. Het recht dient ook de humaniteit, ook al schijnen het soms contrasterende begrippen. Polarisatie Dit brengt mij op het laatste, t. w. de polarisatie. Lange tijd heeft polarisatie een negatieve klank gehad. Het zou, grof gezegd, het conflictmodel impliceren. Intussen hebben we gezien hoe er een algemeenheid baan brak, waardoor identiteiten vervaagden. In de sociale sector verbleekten zelfs (onder paars) de tegenstellingen tussen socialistisch en liberaal. Vandaag is de roep om nieuwe polarisatie alom waarneembaar. Wanneer met alle mogelijke middelen, langs de weg van pseudo-tolerantie vrede gehandhaafd moet worden, is de prijs te hoog, zegt Andreas Kinnegin (De lege tolerantie, p. 176). Dan is er geen ruimte meer voor mensen, die zich verzetten tegen het kwaad en daarvoor eigen belang laten wijken. Hier ligt vandaag een appèl op onze christelijke verbanden en organisaties. Ook hier heeft de algemeenheid toegeslagen, aanvankelijk nog verguld als 'gevulde algemeenheid' maar al spoedig aan de dag tredend als lege algemeenheid. Hier trad ook aan het licht wat ik zou willen noemende ethische algemeenheid. Onder de liberaliserende wetgeving, zoals die zich onder 'paars' heeft ontwikkeld, ligt ook een algemene voedingsbodem, waaraan ook de christenheid in dit land deel heeft. Juist ook in zaken met ethische relevantie bleek het kwaad het ergst te zijn als men begon met de erkenning dat het recht heeft van bestaan. En als dijken eenmaal breken, heeft het water vrij spel. Het moment is aangebroken om als belijdende christenen aan de gewenste polarisatie nieuwe inhoud te geven. Liberaal willen weer liberaal zijn en socialisten socialist. Christen moeten weer christen zijn. Niet in de zin van het aanheffen van wereldse strijdkreten, met op de achtergrond de drang naar (christelijke) macht. In een heroriëntatie, waarin begrip leeft voor het feit, dat Nederland grosso modo is ontzonken aan de meest elementaire waarden, zoals die in Wet en Evangelie zijn gegeven. De Wet kan niet worden opgelegd, maar dient primair in de leden van de gemeente openbaar te komen in een evangelische uitstraling, waaruit blijkt hoe het gebod ten goede is. Alle triomfantelijkheid zal dus moeten worden afgelegd. Maar temeer zal uit overtuiging herkenbaar moeten worden geparticipeerd in het publieke domein. Principieel zal een christen zich wat zijn overtuiging betreft niet laten gelijkschakelen met die van andere religies. De botsing der meningen is onvermijdelijk, waarbij de spits ligt bij de zelfbeschikking van de mens enerzijds en -- het hoge woord moet eruit -- het Droit Divin, het recht Gods anderzijds. De humaniteit in de samenleving is niet veilig wanneer de levende achtergrond van Gods recht uit het bewustzijn van het volk, en derhalve van leidinggevenden onder het volk, inclusief de regering, wegzakt. (Zie De politieke verantwoordelijkheid van de kerk). Zwaard van de Geest De oude wijsgeer Aristoteles zei al, in een geschrift over ethiek, dat diegenen dwazen mogen heten, die niet (meer) vertoornd worden over zaken waarover men vertoornd dient te zijn. 'Zulke mensen zijn niet tolerant, maar onnozel, week, en slap', voegt de 'conservatieve' rechtsfilosoof Andreas Kinneging toe. Maar waarom zouden we hier Aristoteles te hulp roepen? Christus zei, toen hij zijn apostelen uitzond in de wereld, dat ze niet moesten menen dat Hij was gekomen om vrede te brengen maar het zwaard (Mt. 10 : 34). Maar dan wel het zwaard van de Geest. Wie zich weet opgenomen in de apostolaire beweging, die door de missio Christi op gang is gebracht, weet ervan wat het enerzijds betekent dat de navolging van Christus zachtmoedigheid vraagt maar anderzijds ook wat het betekent het zwaard van de Geest te moeten hanteren. De Geest leert geen lege tolerantie maar vult de tolerantie. Dr. ir. J. van der Graaf Literatuur W. Aalders, In verzet tegen de tijd -- een protest tegen de verwereldlijking van God en de vergoddelijking van de wereld, uitgave J. N. Voorhoeve, Den Haag, z. j. August Hans den Boef, Nederland Seculier, uitgave Van Gennep, Amsterdam, 2003. J. van Eck, God, mens, medemens -- Humanitas in de theologie van Calvijn, uitgave Van Wijnen, Franeker, 1992. Generale synode van de Nederlandse Hervormde Kerk, De politieke verantwoordelijkheid van de kerk, uitgave Boekencentrum, 's Gravenhage, 1964 Marcel ten Hooven (red.), De lege tolerantie -- Over vrijheid en vrijblijvendheid in Nederland, uitgave Boom, Amsterdam, 2001. Hanna Kohlbrugge, De islam aan de deur, uitgave Boekencentrum 's Gravenhage, 2001. |