Verslag forumdiscussieOnder leiding van IBA-bestuurslid drs J. Dijks vindt de plenaire discussie plaats in vervolg op de vier gehouden workshops over de thema’s: Mantelzorg, Diaconaat, Vrijwilligers en Zorgaanbieders. Allereerst worden door de voorzitters van de workshops kort enkele opvallende punten uit de gehouden discussie naar voren gehaald, die zouden kunnen dienen als mogelijke taakopdrachten voor de voortgang van de voorlopige Stuurgroep Identiteitsgebonden Vrijwilligerswerk en Mantelzorg. (SIVM): Vanuit de workshop Mantelzorg wordt gepleit voor meer zicht op en samenhang tussen activiteiten die her en der plaatsvinden rondom de thema’s WMO en mantelzorg. Er wordt al veel gedaan, doch ieder lijkt het wiel opnieuw uit te vinden. Ook SIVM moet oppassen voor deze valkuil. Eerst zou verder inventariserend onderzoek moeten plaatsvinden. Mede op basis daarvan kan (door middel van een Diaconaal Steunpunt Mantelzorg) concrete ondersteuning aan diaconieën worden georganiseerd. Bij het Diaconaat blijken veel vragen te  leven over de inhoud en vormgeving van de relatie tussen vrijwilligers en diaconaat. Opvallend is dat tijdens de discussie de grote onbekendheid met de steunpunten mantelzorg naar voren komt. Door de diaconie zou daar heel goed een soort 1e-lijns-functie in kunnen worden behartigd. Er lijkt plaats te zijn voor een niet te zware, doch wel effectieve platform-structuur voor SIVM. De diaconale consulenten treffen elkaar overigens nu reeds regelmatig rond WMO-vraagstukken. De drie diaconale consulenten: - A. Heystek (CGK) - W. Drooger (GG) - D.A. Prins (GKV)
In de workshop Vrijwilligers is op onderdelen kritisch gereageerd op onder meer de hoge percentages beschikbare vrijwilligers in het onderzoeksrapport. Daar zou nog eens preciezer naar gekeken moeten worden. Zorg bestaat met betrekking tot de vergrijzing van het vrijwilligersbestand. Er rust nu teveel werk op enkele schouders. De vraag daarbij wordt: hoe bereiken wij de grote doelgroep jongeren en hoe kunnen wij die motiveren en betrekken bij de zorg- en hulpverlening. De SIVM wordt opgeroepen met deze vraagstelling aan de slag te gaan.
- In de workshop Zorgaanbieders is voor nader onderzoek aan de orde gekomen het spanningsveld om vrijwilligers bewust in te zetten op bepaalde taakvelden. Ook is de behoefte uitgesproken om naar de overheid meer geluiden te laten horen over de negatieve valkuilen van de WMO (b.v. vrijwilligers nemen taken van professionals op zich). En als derde punt de uitwisseling kerken>>zorginstellingen: onder meer aangeven waar probleemvelden liggen van onze identiteitsgebonden instellingen en hoe vanuit kerken kan worden bijgedragen aan oplossingen.
Vervolgens wordt tussen zaal en forum gediscussieerd waarin een aantal belangrijke onderwerpen wordt uitgediept: Onbekendheid met steunpunten mantelzorg, zowel bij mantelzorgers als bij potentiële verwijzers Uit de gegeven toelichting blijkt dat er in ons land ca. 200 steunpunten Mantelzorg functioneren, waar informatie kan worden verkregen over bepaalde ziektebeelden, over voorzieningen en adressen die de mantelzorger verder kunnen helpen, over bemiddeling en PR. Ook is lotgenotencontact mogelijk, De mantelzorger kan daar zijn/haar verhaal kwijt als het zorgen teveel dreigt te worden. Er is ook de gratis Mantelzorgkrant die elk kwartaal verschijnt. Geconcludeerd wordt dat het van belang is ten aanzien van Steunpunten Mantelzorg beleid te ontwikkelen, waarbij het de vraag is of het kerkelijke steunpunten moeten worden om de drempel te verlagen? Is de NPV daarvoor wellicht de aangewezen instantie? Bij de bestaande steunpunten is veel informatie beschikbaar: dus ga een relatie hiermee aan. Grijze tussengebied mantelzorg <>professionele hulp De ervaring leert dat er lastige grenssituaties kunnen ontstaan daar waar mantelzorg eindigt resp. waar professionele hulp begint. Zo zijn er handelingen die zijn voorbehouden aan medische of verpleegkundige professionals. De NPV hanteert daarvoor richtlijnen. Ook kan het zo zijn dat het CIZ (het indicatieorgaan) aan huis komt indiceren en dan afgaat op een (te positief) verhaal van de patiënt zelve. Laat daarom (mogelijk vanuit de diaconie) een deskundig ondersteuner bij het indicatiegesprek aanwezig zijn.
Er wordt gewezen op het “neutrale” karakter van het CIZ. Het gevaar bestaat dat indicaties worden afgegeven waarin geen rekening wordt gehouden met levensbeschouwelijke voorkeuren. Uiteraard gaat het primair om de juistheid van de indicatie. Van belang is dat bij de indicatieorganen voldoende info bekend is over de mogelijkheden en beschikbaarheid van identiteitsgebonden zorgaanbieders, en ook de geïndiceerde kan hier nadrukkelijk zijn of haar wensen naar voren brengen, zodat daarmee rekening mee kan worden gehouden. Bedreigingen, risico’s e.d. Er wordt op gewezen dat de WMO maar niet alleen botertje-tot-de-boom is. Er is onmiskenbaar sprake van een bezuiniging. De opbouw van de infrastructuur ( CIZ b.v.) gaat ten laste van het van het rijk naar de gemeenten over te hevelen AWBZ-budget. Anderzijds wordt opgemerkt dat de bedreiging vanuit de WMO niet te zeer moet worden opgeblazen. Het is ook nadrukkelijk een kans. Via geschikte wegen ( maatschappelijke stage b.v) kunnen ook jongeren worden gemotiveerd. Deze doelgroep (jongeren-vrijwilligers) wordt in het rapport helaas gemist.
Als belangrijk punt wordt genoemd dat op gemeentelijk niveau toezicht wordt georganiseerd op de uitvoering van de WMO. De kerken zouden zich daarvoor (gezamenlijk) present moeten melden, zodat mede door een vertegenwoordiger vanuit de kerken toezicht wordt gehouden op de uitvoering. Dan dient ook onder meer te worden uitgewerkt waarop gelet moet worden in de evaluaties, en welke punten voor de follow-up moeten worden benoemd. Geconstateerd wordt dat de WMO de kerken voor grote uitdagingen plaatst. De eerlijkheid gebiedt te stellen dat de kerken de onderlinge hulp en dienstbetoon aan de naaste wel gemakkelijk hebben overgelaten aan de overheid. Nu komt de nieuwe kans vanuit de WMO.De staatssecretaris heeft de kerken vanmorgen aangemoedigd. Hoewel dit lokaal wat verschillend kan liggen wordt het belang van goed overleg tussen (gezamenlijke) diaconieën en de gemeente ingezien. In de ene gemeente worden de kerken uitgenodigd voor dergelijk overleg, in een andere gemeente moeten “de ellebogen” worden gebruikt om aan tafel te komen. Benadrukt wordt hoe belangrijk het is dat diaconieën de sociale kaart kennen. Er zou eigenlijk een “gaven”-inzameling moeten plaatsvinden, competenties van gemeenteleden die kunnen worden ingezet. Daarbij wordt onderstreept dat het niet zo mag zijn dat professionele hulpverleners vervangen worden door onbetaalde vrijwilligers. Een cruciaal aandachtspunt is de vraag hoever het diaconaal besef strekt binnen onze kerken. Er wordt steeds gesproken over de noodzaak om gezamenlijk beleid, mede met het oog op de hele samenleving, te ontwikkelen. Maar er zal, zo wordt gesteld, eerst in onze kerken een cultuuromslag en een zekere mentaliteitsverandering plaats moeten vinden. De ervaring leert dat wij erg naar binnen zijn gericht, vooral op onze eigen kerkelijke achterban; de samenleving is al te zeer uit het oog verloren. De uitdaging ligt niet alleen binnenkerkelijk, maar de hoge opdracht van de kerkelijke gemeente is toch een zoutend zout en lichtend licht te zijn. De eerste christenen mogen ons daarbij wel als voorbeeld voor ogen staan. Vanuit het onderzoeksteam wordt naar voren gebracht dat in het rapport “Kerk en caritas” de noodzaak van beleidsontwikkeling is aangetoond. Laat dit echter “licht” beleid zijn. Aanbeveling verdient om varianten (b.v. diaconieën resp. gezamenlijke diaconieën) uit te werken voor toegankelijke Steunpunten Mantelzorg. Heel belangrijk blijkt ook te zijn het op een georganiseerde wijze verzamelen van goede informatie en deze op een inzichtelijke wijze beschikbaar stellen. Er wordt al veel geweten maar het is niet breed bekend. “Best practices” kunnen worden beschreven en uitgewisseld, handreikingen kunnen worden aangegeven. Een goed bijgehouden web-site is daarbij wel zo effectief als een handboeken. Dit laatste hoeft natuurlijk niet beperkt te worden tot het WMO-dossier. De heer Dijks rondt vervolgens de discussie af en concludeert dat er tal van concrete beleidsaanbevelingen aan SIVM zijn gedaan, die aan het slot van de discussie niet apart behoeven te worden samengevat, maar uit de opmerkingen in de workshops kunnen worden gedestilleerd. Als punten voor de beleidsagenda noemt hij nog de relatie professional<>vrijwilliger, en de vraag hoe en waarmee diaconieën het best ondersteund kunnen worden. De voorzitter van IBA bedankt de heer Dijks voor zijn leiding en de andere forumleden voor hun medewerking aan deze discussie. Hij zegt toe dat op het besprokene zal worden teruggekomen in de werkvergaderingen van de stichting IBA en in de bijeenkomsten van de Stuurgroep Identiteitsgebonden Vrijwilligerswerk en Mantelzorg (SIVM). Op deze website (www.ibanet.nl) zal van de resultaten daarvan verslag van worden uitgebracht. Hij eindigt met een nog een heel belangrijke en veel gehoorde opmerking: laten wij elkaar goed vasthouden, want anders wordt het “ieder-voor-zich” een grote valkuil bij de inwerkingtreding van de WMO per 1 januari 2007.
|