Noodzaak van herbronning en samenwerking in de christelijke hulpverlening

Symposium 'Zorgverlening in een geseculariseerde cultuur. Achterban en professional, een spanningsvolle relatie', IBA-studiedag 10 juni 2005 te Veenendaal

Dr. Jan van der Wal

Inleiding
In het eerste deel van deze lezing ga ik in op de relatie tussen kerk en christelijke hulpverleningsinstelling. Daarbij geef ik de essentie van mijn visie op christelijke hulpverlening, vooral omdat in mijn waarneming de bron voor christelijke hulpverlening geleidelijk aan wat verstopt is geraakt. Het lijkt me noodzakelijk dat we die weer open leggen, zodat we gevoed worden om sterk te staan in de ontwikkelingen die op ons af komen. In dat eerste deel komen o.a. de secularisatie en professionalisering aan de orde, twee hoofdthema’s in de uitnodiging voor deze middag.
Het tweede deel van de lezing gaat over samenwerking, zowel de noodzaak daartoe als de belemmeringen die we daarin tegenkomen. Ik sluit af met een voorstel om daarin voortgang te kunnen boeken. De motivatie daarvoor ontleen ik aan de visie die in het eerste deel aan de orde komt. Dat alles ligt besloten in de titel van deze inleiding: ‘Noodzaak van herbronning en samenwerking in de christelijke hulpverlening’.
Vooraf nog enige begripsverduidelijking. Met christelijke hulpverlening bedoel ik al die hulpverlening die zich wil laten leiden door de Bijbel als Gods onfeilbaar Woord. Persoonlijk vul ik dat op gereformeerde wijze in. Als het heb over samenwerking bedoel ik allerlei vormen van gezamenlijk optrekken van zorginstellingen, van eenmalige gezamenlijke projecten tot en met fusies, gericht op het versterken van de posities en/of het samen aanbieden van vormen van zorg. Het gaat dus om een ruim begrip.

Kerk en christelijke zorginstelling: een betekenisvolle relatie
Oorspronkelijk waren de christelijke gemeente en christelijk dienstbetoon sterk op elkaar betrokken. Nog steeds hebben kerken in de gereformeerde gezindte en de instellingen die daaruit voortgekomen zijn een vitale band. Er zijn formele en materiële relaties, waar kerken bestuurlijk participeren en de zorginstellingen (financieel) steunen. Als het goed is functioneren die relaties vanwege de geestelijke band die er is, die o.a. tot uitdrukking komt in voorbede en meeleven.

Een relatie onder druk
Tegelijk zijn er ontwikkelingen die deze relatie onder druk zetten. Ik noem er een aantal.

a. De toenemende welvaart maakte kerkelijke hulpverlening minder noodzakelijk. De staat ging het overnemen en subsidiëren. Dat had goede kanten, maar er trad hierdoor ook verlies op: de kerk werd op afstand gezet. Veel diaconieën hebben nog nauwelijks een functie als het gaat om de daadwerkelijke zorg, afgezien van incidentele materiële steun. Overigens zijn er tekenen dat sommige kerken ook de financiële ondersteuning van de hulpverlening anders gaan benaderen. Het enthousiasme van de eerste jaren is duidelijk afgenomen.

b. Een andere is die van de secularisatie. Ik beperk me hier tot het noemen van de ontkrachting van de bijbelse ethiek, een onbijbelse invulling van begrippen als mondigheid, autonomie en vrijheid, gekoppeld aan verwerping van het bijbelse mensbeeld. In toenemende mate zien we tanend respect voor de christelijke levensovertuiging, of is er zelfs sprake van actief verzet. Ik behoef dat hier allemaal niet te bespreken, het is a.h.w. de lucht die we inademen.
De grote verschuivingen in mensbeeld en ethiek hebben zich niet het minst en het laatst voorgedaan op het terrein van de hulpverlening.

c. In de derde plaats noem ik de professionalisering van het werk. Hulpverlenen is een vak geworden, waarvoor je specifieke kennis van methoden en technieken en training in vaardigheden moet hebben. Door de professionalisering zijn de mogelijkheden van de hulpverlening sterk uitgebreid.
Op drie manieren creëert de professionalisering afstand tussen kerk en hulpverlening. In de eerste plaats omdat hulpverleners in de verleiding komen, en daar regelmatig voor bezwijken, om hun eigen benadering te verheffen boven die van bijv. het pastoraat.
Verder oriënteren professionals zich vooral op codes van de beroepsgroep en minder op de ambten en de christelijke gemeente, als het gaat om de uitoefening van het werk. Aan die code ontleent een professional veelal ook de opvatting om zich te onthouden van morele of getuigende uitspraken. Dat lijkt een taboe, dat ik helaas ook wel bij christen hulpverleners  tegenkom. Over dit kernconflict voor de christelijke hulpverlener is veel meer te zeggen, maar daar gaat nu niet over. Ik constateer slechts dat ook hierin een reden ligt voor verwijdering tussen kerk en hulpverlening.
In de derde plaats maakt de privacywetgeving communicatie tussen ambtsdragers en hulpverleners niet eenvoudig.

Er zijn nog andere omstandigheden die de relatie kerk en hulpverlening onder druk zetten. Ik denk aan de kerkelijke verdeeldheid en het functieverlies van de kerk. Dat laatste wil o.a. zeggen dat gemeenteleden in veel gevallen eerder hun toevlucht nemen tot anonieme instanties, waaronder die voor hulpverlening, i.p.v. zich te wenden tot een ambtsdrager. Tenslotte noem ik de toenemende psychologisering van het moderne pastoraat, waardoor, zoals iemand eens treffend heeft gezegd, het eerstgeboorterecht van de bijbelse boodschap wordt ingeruild voor een schotel psychologische linzenmoes. Maar vaagheid over de eigen identiteit is geen goed uitgangspunt voor een goede afstemming tussen kerk en hulpverlening. Ik kan deze zaken alleen maar aanstippen, maar ze zijn er niet minder belangrijk om.

Als we dit tot ons laten doordringen, dan beseffen we dat de problematiek van de relatie tussen kerken en zorginstellingen buitengewoon complex en daarmee moeilijk veranderbaar is.

Terug naar de bronnen van christelijk dienstbetoon
Tegenover de drie genoemde verschijnselen -de ontkoppeling van hulpverlening en kerk door losmaking van de financiering, de secularisatie en de professionalisering- zou ik kort het volgende willen inbrengen. Want de band tussen kerken en instellingen mag niet verloren gaan, maar moet juist worden versterkt.

a. Dat de overheid erkenningen, subsidies en andere voorwaarden creëert om een samenhangende hulpverlening te realiseren, is op zichzelf genomen niet verkeerd. We moeten niet terug naar het Roomse idee van kerkelijke bevoogding, maar de kerken moeten wel blijvend verantwoordelijkheid blijven nemen voor de realisering van chr. hulpverlening. Naastenliefde en barmhartigheid jegens mensen in nood is immers een bijbels gebod, dat niet uitbesteed kan worden aan de (neutrale) overheid, instellingen of particulieren als onderaannemers.
Daartoe is nodig dat de gemeente haar diaconale taak weer ernstig neemt en tevens inziet dat die onlosmakelijk verbonden is met haar missionaire taak om het evangelie te verkondigen en haar pastorale taak om de leden van de gemeente te weiden en te hoeden. Nadrukkelijk noem ik ook het missionaire aspect. Laten de kerken niet eenzijdig de nadruk leggen op hulp aan gemeenteleden, maar ook oog hebben voor de nood in de wereld. De vroege kerk was juist zo wervend door haar onderlinge hulpbetoon en onbaatzuchtige dienst aan anderen in tijden van nood. Daar zijn vele voorbeelden van te geven. Treffend is de brief die de felle christenbestrijder keizer Julianus schreef. Daarin zegt hij ondermeer: "Er moeten gasthuizen worden gebouwd in alle steden voor vreemdelingen en ondersteuning aan reizigers en bedelaars worden gegeven, want het is schandelijk dat in de joodse gemeenschap niemand behoeft te bedelen en dat de goddeloze Galileeërs zowel voor ons als hun eigen mensen zorgen."
Bron en norm voor christelijk dienstbetoon is Christus Zelf. Gekomen als Eén die dient, toonde Hij Zelf hoe dat dienstbetoon verbonden is met en in dienst staat van de verkondiging. Ik noem slechts de geschiedenis van de verlamde die door zijn vrienden aan Jezus voeten wordt neergelaten. Het eerste wat Hij zegt is: "Zoon, uw zonden zijn vergeven". Daarin komen Zijn zending en macht openbaar. "Doch", zegt Hij verder, "opdat gij moogt weten dat de Zoon des mensen macht heeft, om de zonden op de aarde te vergeven (zeide Hij tot de geraakte): Ik zeg u: Sta op, neem uw beddeken op; en ga heen naar uw huis". Het wonder van de dienst der genezing is hier net als alle andere wonderen van genezing een teken van Jezus' macht en een verwijzing naar, een belofte van het eeuwige leven in volmaaktheid, zonder verdriet en pijn voor allen die de boodschap van het evangelie gelovig aannemen. Kortom: 'van nature' behoren gemeente-zijn, prediking en hulpverlening bij elkaar.

b. De Schrift heeft ons tevens veel te zeggen als het gaat over de ethiek en het mensbeeld. Ook hier is de koppeling met concreet dienstbetoon en hulpverlening zo belangrijk.
In het bijbelse mensbeeld ligt een antwoord op de existentiële nood van de mens. Het doet ons begrijpen waarom de mens niet alleen kan leven bij de dingen van het aardse bestaan. Dat zijn verlangen naar gaafheid, volmaaktheid en geluk een weerklank is van zijn afkomst als schepsel Gods, al is dat door de zonde nog zo verstoord. Het biedt ook inhoud aan het vrijheidsbegrip dat zonder God verwordt tot ongebondenheid, eigenrichting, eenzaamheid of wanhoop. "Want gij zijt tot vrijheid geroepen broeders, alleenlijk gebruik de vrijheid niet tot een oorzaak voor het vlees; maar dient elkaar door de liefde. Want de gehele wet wordt in één woord vervuld, namelijk dit: Gij zult uw naaste liefhebben, gelijk uzelven." Bijbelse vrijheid bevordert geen individualisme, maar werkt gemeenschapstichtend.

c. Wat de professionalisering betreft kunnen we niet uit de Schrift afleiden dat de vooruitgang in methoden en technieken afgewezen zou moeten worden, of dat het verkeerd zou zijn dat mensen van hulpverlening hun beroep maken. Integendeel, we mogen de gaven die we van God hebben ontvangen gebruiken en ontplooien.
Wel staan we voor de grote opdracht de professionalisering op christelijke wijze te verwerken en gestalte te geven. Daarvoor is nodig het taboe dat ligt op bijbels genormeerde hulpverlening te doorbreken. Dat doorbreekt ook het schot tussen de begrippen heil en heling die in de Schrift nu juist zo nauw aan elkaar verbonden zijn, zoals we gezien hebben.

Laat de professie, zowel die van hulpverleners als van managers gestoeld zijn op de confessie van het christelijk geloof. Geloof staat niet tegenover vakmanschap en wetenschap. Dat moeten we ons niet laten wijsmaken, al was het alleen maar omdat uit onderzoek veelvuldig is gebleken dat het betrekken van iemands levensovertuiging bij de hulpverlening, deze meer vruchtbaar maakt. Het is veelzeggend dat in de middeleeuwen de latijnse woorden professio en confessio eigenlijk tweelingbegrippen waren.

Hoewel er dus reden en ruimte is voor verscheidenheid tussen kerk en christelijke hulpverlening, is er wezenlijk toch sprake van eenheid. Je zou het zo kunnen zeggen: prediking en hulpverlening behoren bij elkaar en moeten elkaar juist in onze tijd vasthouden om samen taal en teken te zijn van heil en heling in Jezus Christus.

Van hier uit stap ik over naar het thema samenwerking tussen christelijke zorginstellingen.
 
Impressie samenwerkingshistorie christelijke zorginstellingen
Laat ik dit deel mogen beginnen met een impressie van enkele ontwikkelingen in de afgelopen decennia. Ik meen dat eind jaren '70 van de vorige eeuw het LWOGG werd opgericht. Dit orgaan oversteeg nimmer het karakter van een platform voor overleg, al zijn er wel concrete initiatieven gerealiseerd. Tijdens een conferentie in 1982, die nogal wat aandacht kreeg, werd geconcludeerd dat er behoefte was aan een gemeenschappelijk coördinerend orgaan. Maar dat is er nooit van gekomen. Uiteindelijk is het vanwege gebrek aan toegevoegde waarde opgeheven. Iets dergelijks geldt voor de St. Ontwikkeling Evangelische Hulpverlening, die in de jaren ’80 enkele aansprekende congressen organiseerde en in het verlengde daarvan plannen maakte om tot een organisatie te komen.
Vanuit de Geref. Kerken (vrijgemaakt) is in de jaren '90 een poging gedaan om te komen tot één samenhangend geheel van zorginstellingen van die kerkelijke signatuur. Dat initiatief heeft het niet gehaald, omdat belangrijke partners er geen brood in zagen. Eind jaren '90 werden pogingen ondernomen om de gereformeerde ouderenzorg in één rechtspersoon te verenigingen. Men kon elkaar echter niet vinden. Wel ontstond er een beperkte samenwerking binnen de kring van instellingen uitgaande van de Gereformeerde Gemeenten. Nog niet lang geleden fuseerden enkele instellingen voor ouderenzorg van geref. vrijgemaakte signatuur. Binnen de gereformeerde jeugdzorg bestaan eveneens samenwerkingsvormen. In evangelische kring bestaat de FEO, die haar leden op allerlei manieren diensten bewijst, zonder zelf actief te zijn in de zorg. Voorts noem ik het initiatief  'Zicht op Zorg in de gereformeerde gezindte', dat het gelijknamige rapport van Polder en Van der Wal heeft opgeleverd. Dat rapport mondde uit in het advies om samen een brancheorganisatie te starten, ook wel aangeduid als expertisecentrum of koepelorganisatie. Praktisch ging het de auteurs om ondersteuning van de aangesloten instellingen en (externe) belangenbehartiging. Dat idee werd niet overgenomen. Wel ontstonden er diverse projecten. In het verlengde daarvan ontstond de vereniging van gereformeerde zorginstellingen Focaris.
Samen met anderen mocht ik een bijdrage leveren aan een werkgroep die een ontwerp maakte voor de opzet van deze vereniging. Geadviseerd werd een brede vereniging op te richten, die ook ruimte zou bieden aan bijbelgetrouwe initiatieven van buiten gereformeerde kring die op dat moment al binnen 'Zicht op zorg' participeerden. Tevens werd geadviseerd te komen tot het instellen van een bureau, dat onder andere coördinerende en faciliterende taken zou kunnen vervullen. Beide adviezen werden niet overgenomen. Ongeveer in dezelfde periode werd in opdracht van cliëntenorganisaties, zorgverzekeraar DVZ en zorgaanbieders een onderzoek uitgevoerd door bureau Obelon naar een psychosociale zorglijn. De adviezen uit het rapport leidden niet tot tastbare resultaten. Last but not least komt het thema samenwerking ook op de conferenties van IBA regelmatig aan de orde.

Veel overleg, weinig concreet resultaat
Je kunt constateren dat het thema samenwerking al decennia lang hoog op de agenda staat van christelijke zorginstellingen, dat er veel tijd en energie aan wordt besteed, maar dat het concrete resultaat over het geheel genomen mager is. Dat neemt uiteraard niet weg dat waar concrete samenwerking plaatsvond, deze als waardevol kan worden aangemerkt. Bijv. geen van de fusies die heeft plaatsgevonden is mislukt of heeft tot grote problemen geleid. Integendeel, die hebben toegevoegde waarde opgeleverd. Daarbij kun je denken aan kwalitatieve winst als een betere spreiding van de zorg, differentiatie van het zorgaanbod en winst in de zin van een sterkere positie en een grotere bekendheid.
Wat verder opvalt is dat de suggestie om te komen tot een coördinerend orgaan met mensen,  middelen en mandaat met enige regelmaat terugkomt. Echter, als puntje bij paaltje komt, lukt het ons niet om dat van de grond te krijgen. Hoe komt dat?

Ik meen de volgende faalfactoren waar te nemen, die leiden tot deze betrekkelijke stagnatie:
· Verschillen in identiteit accentueren.
· Kerkelijke verdeeldheid.
· De reëel bestaande nood te weinig laten wegen.
· Grote verschillen in al dan niet geëxpliciteerde visies op wat christelijke zorg inhoudt.
· Angst voor de mogelijkheid dat samenwerking met anderen de eigen identiteit aantast.
· Grote verschillen in betrokkenheid op samenwerking tussen de verschillende instellingen.
· Grote verschillen in omvang tussen potentiële partners.
· Denken vanuit het eigen belang van de eigen instelling.
· Een korte termijn benadering, waarbij alleen gekeken wordt naar directe winst.
· Onwil en/of onvermogen om (financieel) te investeren in latere opbrengst.
· Vermijden van echte keuzes.
· Gebrek aan moed om moeilijke keuzes uit te leggen aan de achterban.
· Wij - zij denken en negatieve beeldvorming.
· Het ontbreken van een goede infrastructuur om overleg vruchtbaar te doen zijn, waaronder regie, mandaat en goede communicatie met stakeholders.

Een kritische benadering van het strategisch belang van samenwerking
Bezinning op samenwerking vraagt een kritische benadering, gelet op alle onrust en gedoe die je daarmee oproept. Is meer samenwerking tussen christelijke zorginstellingen echt nodig? In het vervolg beperk ik me tot een vooral strategische benadering van deze vraag.

Ontwikkelingen in wet- en regelgeving in de zorg
Het antwoord op de vraag naar de noodzaak van samenwerking is gelegen in de ontwikkelingen in de zorgsector. Ik veronderstel die als bekend in dit gezelschap en daarom vat ik die kort samen:
· De modernisering van het zorgstelsel geeft meer speelruimte aan veldpartijen om als marktpartijen met elkaar om te gaan. Daardoor verdwijnen de traditionele schotten tussen de sectoren.
· Er is steeds meer druk op effectiviteit en cliëntgerichtheid. Dat vraagt transmurale zorg, kleinschaligheid, zorg dicht bij de cliënt en specialisatie in combinatie met samenhang.
· Een toenemende krapte aan personele en financiële middelen, die nopen tot vergaande doelmatigheid.
· Toenemende invloed van zorgverzekeraars en zorgkantoren (en in de toekomst ook van gemeenten), die als inkopers van zorg sterk bepalend zijn voor de contractering en de prijs van zorg.

Noodzaak tot samenwerking
De relatie tussen deze ontwikkelingen en de noodzaak van samenwerking is nu direct inzichtelijk. Door schaalvergroting kun je tot op zekere hoogte de kosten drukken. Nu blijft zorg primair mensenwerk, dus we moeten dit niet overdrijven. Maar kostenposten die verbonden zijn aan R&D, inkoop en de mate van standaardisatie van het werk, kun je door schaalvergroting aanmerkelijk terug dringen. De kwaliteit kun je verhogen door een grotere diversiteit aan zorg aan te bieden, door spreiding de toegankelijkheid voor de cliënt te verbeteren, terwijl je vanwege de schaal gespecialiseerde eenheden kunt ontwikkelen. Tenslotte kun je door schaalvergroting marktmacht organiseren, zodat je partij kunt geven in de onderhandelingen met de zorginkopers.

Waardering vanuit het perspectief van christelijke zorginstellingen: reden tot zorg
Voor een christelijke organisatie is het bijbelse diaconale motief wat mij betreft leidend bij het beoordelen en tegemoet treden van de hiervoor genoemde ontwikkelingen. Het moet er om gaan dat bijbels genormeerde zorg aan mensen in nood erdoor wordt bevorderd. Vanuit dat ideële beginsel is het vervolgens gewenst om zakelijke afwegingen te maken bij het beoordelen van aspecten als het nut en de vorm van samenwerking en de keuze voor partners. Om misverstanden te voorkomen: ik bedoel dat zakelijke in de betekenis van rationeel bezien of een eventuele samenwerking het ideële doel werkelijk dient. Ik bedoel er niet mee dat men zich louter door eigenbelang of groepsbelang laat leiden. Soms krijg ik het idee dat we praten over samenwerking omdat we allemaal christelijke zorgorganisaties zijn. Of men praat over samenwerking vanuit het motief te schuilen bij elkaar tegen als bedreigend ervaren ontwikkelingen. Dat zijn echter inadequate emotionele argumenten, die meer verwarring dan duidelijkheid brengen.

Houden we de kenmerken van de bestaande christelijke zorginstellingen tegen het licht van de eerder geschetste ontwikkelingen in zorgland, dan is er afhankelijk van de aard en omvang van die instellingen reden om ons in meer of mindere mate zorgen te maken over de overlevingskansen van onze instellingen. En dan heb ik het nog niet eens over de kansen op ontwikkeling en groei. Vereisten als specialisatie binnen ketenzorg, betaalbare zorg van goede kwaliteit, bereikbaarheid en innovativiteit en een kwalitatief goede bedrijfsvoering, kunnen zeker bij landelijk werkende organisaties alleen worden bereikt bij een schaalgrootte die ik grofweg schat op zo'n 250 tot 1000 fte, afhankelijk van het verzorgingsgebied, de diversiteit van de doelgroepen die men bedient en de vereiste mate van specialisatie. De grote meerderheid van onze instellingen voldoet nog onvoldoende aan deze voorwaarden en is dus niet sterk gepositioneerd voor de komende veranderingen.

Een realistisch gevoel van urgentie creëren
Nu is de uitspraak dat er reden is tot zorg wel delicaat. Ter relativering merken sommigen op dat ondanks alles er nog nauwelijks instellingen zijn omgevallen. Dat is correct. Het is niet juist en zelfs contraproductief om een crisissfeer op te roepen als daar geen overtuigende redenen voor zijn. Ik beoog dan ook allerminst een 'het is vijf voor twaalf boodschap' uit te dragen.
Er zijn er ook die zeggen: eerst maar eens zien wat er van al die plannen terecht komt en dan zien we wel verder. Die uitspraak wordt niet zonder reden gedaan. Er zijn veel voorbeelden te noemen van wet- en regelgeving die in het zicht van de haven zijn gestrand. Denk aan de plannen van de voormalige staatssecretaris Simons of de trechter van Dunning. Maar intussen miskent men de trends die onder deze plannen liggen en die wellicht met vertraging en in wat andere vorm, toch doorgaan. Zo zijn er materieel lijnen te trekken tussen de plannen van de heer Simons en wat er nu gaande is. En sommigen hoor je recentelijk zeggen dat de trechter van Dunning eigenlijk zo'n slecht idee niet was...

Hoe het ook zei, het gaat er om dat we verantwoordelijk handelen met hetgeen ons is toevertrouwd. Voor bestuurders en directieleden getuigt het van onverantwoordelijk gedrag als men wacht tot het vijf voor twaalf is. Dan moeten we ons in een zo vroeg mogelijk stadium rekenschap geven van de implicaties van de ontwikkelingen en daar naar handelen. Hoe eerder je daarmee begint, hoe meer je de ontwikkelingen als kansen tegemoet kunt treden. Dan opereer je vrijer dan wanneer het noodzaak, of zelfs dwang wordt. 

Agenda en structurering van overleg over samenwerking
Alles overziende, leg ik het volgende in ons midden bij wijze van een proeve van een agenda om deze thematiek fundamenteel aan de orde te stellen. Daarbij zal ik niet opnieuw voorstellen om te komen tot een coördinerend orgaan. Niet omdat ik dat niet nodig vind, het tegendeel is het geval. Maar kennelijk bestaat daarvoor nog onvoldoende gedeelde visie en vertrouwen. Daarom stel ik een project voor, waarin kerken, christelijke cliëntenorganisaties en instellingen zich gezamenlijk op een fundamentele en systematische wijze bezinnen op de kansen en bedreigingen voor christelijke hulpverlening in de toekomst.

Om te beginnen lijkt het me nodig dat we weer terug gaan naar de bronnen van christelijke zorg, zoals ik dat in het eerste deel van deze inleiding heb verwoord. De bijbelse opdracht tot barmhartigheid aan mensen in nood, christenen en niet-christenen. Weten we nog wat die nood is en weten we nog van christelijke bewogenheid daarmee? Misschien zijn we er zo aan gewend of zo bezet door allerlei bijkomstige kwesties, dat we daar te weinig oog voor hebben. En hebben nog voldoende besef van wat christelijke barmhartigheid inhoudt? Zodat om te beginnen met de daad en indien gevraagd ook met het woord, duidelijk wordt dat deze barmhartigheid iets weerspiegelt van de barmhartigheid van God in Jezus Christus. Kerken en instellingen hebben hierin ieder hun eigen verantwoordelijkheid om gezamenlijk op te trekken.
Uiteraard onderken ik zoals eerder gezegd uit ervaring de grote moeiten die hier liggen. Overigens ben ik geen voorstander van de bekende uitspraak te kijken naar wat ons bindt en niet naar wat ons scheidt. We moeten beide doen. Wel moet er de aanvaarding zijn van elkaar op de basis van de erkenning van de Bijbel als Gods Woord. Als dat er niet is, is er geen basis voor samenwerking als christelijke kerken en organisaties. Waar dat er wel is, mogen en moeten we elkaar bevragen op verschillen, maar laten we elkaar niet veroordelen of afschrijven. Ik maak mij grote zorgen om de in mijn ogen te exclusieve benadering die sommigen kiezen in samenwerkingtrajecten. Dat spoort niet met de bijbelse oproep om te zien naar elkaar en om elkaar niet te oordelen. Het is eerder een godsdienstig gestileerde vorm van groepsdenken, dat de uitvallers dwingt tot samenwerking met niet-christelijke partners. De gevolgen daarvan kunnen op langere termijn desastreus zijn voor de identiteit.

Dat is de principiële kant, waar behalve ook de diepste motivatie ook de bron ligt van bemoediging om deze moeilijke weg in te slaan, die soms tegen jezelf in kan gaan en voor de juiste, dienende en niet heersende houding in de omgang met elkaar.

Intussen heb ik al een suggestie gedaan voor de uit te nodigen gesprekspartners: alle kerken en zorginstellingen die de Bijbel als Gods Woord ten volle aanvaarden. Persoonlijk en als bestuurder van Eleos zal ik dat een gereformeerde invulling geven, maar vanwege de voortrazende secularisatie en dreigende marginalisering van onze instellingen hebben we alle hens aan dek nodig. Uiteraard horen daar ook de christelijke cliëntenorganisaties bij. Ik moet hier volstaan met deze enkele opmerking ten aanzien van hun participatie, maar die is er daarom niet minder noodzakelijk om.

Verantwoordelijkheid van de kerken
In dat project is het de verantwoordelijkheid van de kerken om de instellingen te bevragen op de concretisering van bijbels genormeerde hulpverlening in de praktijk. Tevens lijkt het me een verantwoordelijkheid van de kerken om hun leden actief te informeren en waar mogelijk te betrekken bij zorg die door de kerken wordt gesteund. De instellingen hebben op hun beurt de verantwoordelijkheid om de kerken tijdig, eerlijk en compleet te informeren over wat er gaande is in de zorg, zodat die niet door bepaalde ontwikkelingen en stappen worden overvallen. Daarbij mogen de instellingen de kerken ook aanspreken op hun verantwoordelijkheid om christelijke hulpverlening beter mogelijk te maken.

Verantwoordelijkheid instellingen
Als bijzondere opdracht voor de instellingen zie ik het geven van een gezamenlijk antwoord op de volgende strategische vragen:
· Welke functies en diensten wil ik bieden?
· Wat wil ik als zorginstelling betekenen?
· Wat zie ik als mijn verzorgingsgebied?
· Wat zijn mijn doelgroepen?
· Wat is mijn spreidingsbeleid?
· Welke schaalgrootte is nodig om doeltreffend en doelmatig te kunnen werken?
· Wil ik mijn doelen autonoom bereiken of door middel van samenwerking of fusie?

Om dat te doen is een systematische analyse naar het model van een SWOT-studie m.i. noodzakelijk. Wat zijn de in- en externe ontwikkelingen van de instellingen afzonderlijk en gezamenlijk, welke conclusies kunnen we daaraan verbinden en welke strategische keuzes kunnen we dan als instellingen afzonderlijk en gezamenlijk maken?

De vraag naar de doelgroep wil ik in dit verband extra nadruk geven. De meeste instellingen van gereformeerde huize zijn opgericht voor de eigen doelgroep. Dat was en is volstrekt legitiem. Christenen herkenden zich niet meer in de algemene zorg en zochten daarom hulp op een voor hen herkenbare wijze. Dat moeten we zo houden. Maar daarnaast dringt de vraag zich op of we ons daartoe mogen en kunnen blijven beperken. Principieel vanwege de uitgestrektheid van het bijbelse gebod tot barmhartigheid en praktisch vanwege de noodzaak van schaalgrootte om straks in het nieuwe stelsel contracten af te kunnen sluiten. Dat stelt uiteraard voor veel nieuwe vragen, maar de ontwikkelingen dwingen ons die onder ogen te zien.

Opzet overleg
De eerste vraag is vervolgens of de beoogde gesprekspartners hiertoe bereid zijn en zo ja, hoe we dan een infrastructuur kunnen maken die zo'n project mogelijk maakt. Om dat te laten slagen is o.a. noodzakelijk dat de deelnemers voldoende mandaat hebben, zodat je afspraken kunt maken waar je van op aankunt. Het is niet aan mij dat nu nader in te vullen. We hebben voldoende gremia in ons midden die zich hierop kunnen beraden. Uiteraard is zo'n strategische studie slechts een eerste stap. Als blijkt dat er strategische redenen en mogelijkheden zijn tot samenwerking, moet het vervolgens ook klikken ten aanzien van de organisaties, de personen en de cultuur. Er moet een zodanige aanpak worden gekozen dat de onvermijdelijke problemen in dit opzicht met succes aangepakt en opgelost kunnen worden. Dat vraagt zelfverloochening, doorzettings- en incasseringsvermogen, een heldere visie op de essentiële belangen en relativering van wat daaraan ondergeschikt is.

Ik doe dit voorstel in het volle besef van alle genoemde problemen en faalfactoren. Toch kunnen die m.i. geen reden zijn om af te zien van de noodzakelijke inspanningen om de samenwerking daadwerkelijk verder vorm te geven. De nood in kerk en samenleving schreeuwt er om.

subpagina's van pagina 'IBA-lezingen':

IBA-dag 2000; Bemmel, J.H. vanIBA-dag 2000; Hoek, G. van derIBA-dag 2000; Stoep, J. van derIBA-dag 2000; Schuurman, E.IBA-dag 2001; Seldenrijk, RIBA-dag 2002; Bie, ds. H.J.IBA-dag 2003; Noordergraaf, AIBA-dag 2003; Graaf, J. van der»IBA-dag 2005; Wal, J. van derIBA-dag 2005; Visscher, Ds. W.